wapenschild MHT


 

De Mechelse Beeldenstorm in de literatuur van de 16de eeuw tot nu
450 jaar sociaal-historische verrechtvaardigingen

door Hugo Verstrepen

Ook beschikbaar in PDF-formaat: http://www.mechelsehistorischetijdingen.be/artikels/PDF/1.pdf .


Inhoudsopgave

Inleiding
16de eeuw
17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw
Besluit
De stad als historisch studieobject
Eindnoten
Bijlage 1: chronologische tabel van de schrijvers met hun werken
Bijlage 2: schema van oorspronkelijke auteurs en kopieerders

    Wanneer we dit schrijven in de lente van 2016, is het met de late zomer al in gedachten, wanneer het 450 jaar geleden zal zijn dat de Beeldenstorm uitbrak. Nieuw was het toen niet en nu nog steeds niets uit een ver verleden. Volgens het boek Exodus liet Mozes de afgodenbeelden vernietigen en in navolging van zijn tweede gebod deed Mohammed (en nu alle groeperingen die de wahhabistische en salafistische interpretatie aanhangen, t.t.z. een heel traditionele, fundamentalistische) hetzelfde. Het christendom1 had het tussenin ook gedaan na het verbod op de heidense godsdienst in het Romeinse Rijk in 392 (nadat het in 380 al staatsgodsdienst geworden was) en ook de iconoclasten van Byzantium in de achtste en negende eeuw kenden er wat van, net als de sovjet- en Chinese communisten die er in de twintigste eeuw een handeltje van maakten door religieuze kunstvoorwerpen uit resp. Rusland en Tibet te verkopen. Ook Confuciaans erfgoed viel trouwens ten prooi aan de Rode Gardisten in China, de Rode Khmer braken boeddhistische tempels af in Cambodja zoals de Spanjaarden met de Azteekse gedaan hadden in Mexico en grootmogol Aurungzeb was al niet minder fanatiek toen hij in Indië Sikh- en Hindoetempels liet verwoesten. Er een oorzaak voor zoeken is niet eenvoudig: het is een culturele zuivering, maar die kan naast religieuze motieven ook economische redenen hebben en/of politieke, waarbij oude elites hun macht willen behouden of nieuwe groepen met territoriale claims het zelfs als een etnische zuivering zien2.
    En toch ... de inquisitie, de Beeldenstorm, de Opstand, de Bloedraad, de Tachtigjarige Oorlog, ... het zijn onderwerpen die ons blijven boeien. Voor het (nog niet zo lang geleden erg katholieke) zuiden is het niet echt iets om te vieren, hooguit te herdenken, maar voor onze noorderburen is het uiteraard een populair onderwerp omdat de protestantse Republiek der Zeven Provinciën nu eenmaal ontstaan is ten gevolge van de weerstand tegen Alva's3 leger, door Filips II4 gezonden na de Beeldenstorm. Toch lijken vele publicaties meer te maken te hebben met de verbeeldende kracht ervan, met de sensatie die het opwekt, dan met een interesse voor de theologische, canoniekrechtelijke en civielrechtelijke aspecten ervan. Vele recente werken zijn traditionele syntheses, geschreven voor een groot publiek of anders gezegd: vulgariserend, commercieel, met veel illustraties en stambomen, inhoudelijk weliswaar bijgewerkt, doch zelden met een echt nieuwe inbreng5. Er zijn natuurlijk ook beter gedocumenteerde studies, die bepaalde aspecten gedetailleerd belichten6. Het blijft echter opvallend hoe nieuwe studies hoofdzakelijk gebaseerd blijven op gedrukte bronnen en eigentijdse werken7. Ook specifiek de Beeldenstorm krijgt zo regelmatig een nieuw kaftje om8.

    In de geschiedschrijving9 van deze eenentwintigste eeuw wordt de opstand meer beschouwd als een burgeroorlog dan als een modernistische strijd voor politieke en religieuze vrijheid, maar het is de Beeldenstorm die voor een harde repressie zorgde en daardoor de open rebellie verhaastte. Toen we een tijdje geleden een lezing ter zake bijwoonden10, viel het ons dan ook op hoe slecht de literatuur inzake Mechelen over dit onderwerp gekend is (waarbij we ons uitdrukkelijk tot de schade – de plunderingen en vernielingen zelf dus – willen beperken; de aanloop en de afloop11 zijn afdoende beschreven en alleen die korte stukken maken een goede vergelijking mogelijk), terwijl de Beeldenstorm binnen de Mechelse stadsmuren toch beperkt bleef (er zou veel erger gebeuren in 1572 en 1580). We denken hier in eerste instantie aan de twintigste-eeuwse studies, maar zelfs de gedrukte kronieken uit het Oud Regime werden blijkbaar nooit met mekaar vergeleken, hoewel die kroniekschrijvers nu juist vooral van mekaar afgeschreven hebben. En dan zijn er nog de handschriften, soms met een uniek detail, soms verward, soms met veel fantasie. Objectiever bronnen als brieven, rekeningen, veroordelingen e.d., ambtelijke of administratieve stukken dus, behandelen we hier niet; slechts verhalende, datgene wat het “grote” publiek kon bereiken of bereikt had.


naar boven    Het leek ons dan ook de beste methode om dit chronologisch te behandelen en we starten met het helaas heel beknopte relaas van iemand die het zou meegemaakt hebben, nl. Cornelis Vermeulen, of in de woorden van de hier verder aangehaalde kan. G. D. de Azevedo: “Cornelis Vermoelen van de Rethorycke Kamer tot Mechelen , den welcken ten dien tyde geleeft heeft”. Het is wel degelijk Vermeulen, want zo vonden we hem ingeschreven in de rol van de Sint-Jansgilde12, een beetje na een bekende naam als Philips Doublet13 (1530-1573, procureur van de Grote Raad) en een beetje vóór Hendrik Fay'dherbe14 (1574-1629, beeldsnijder en vergulder en vader van de beroemde Lucas). Er staat geen jaar van intrede bij, maar de chronologie klopt dus. Een kopie van zijn kroniek is achteraan toegevoegd aan een klein register, bewaard in het stadsarchief van Mechelen15. Hij vertelt slechts: “int jaer 1566. op St. Bartholomeus Avont soo werden tot Mechelen de belden in stucken geslaegen, Jaspar Zul en Gedeon16 die stonden en saeghent, en hadden naer den roop van meest alle de lieden den naem dat sy Capiteyns daer af waeren ende dat sij daer af heeten17 en gebieden18 hadden. in't selve jaer op den 22. augusti soo werden tot de minnebroeders binnen Mechelen de belden in stucken geslagen. item op den 23. ditto soo heeft het selve gespuijs buijten Mechelen de belden gebroken.” “conform aen oudere Schryvers”, zal Azevedo er later nog aan toevoegen.
    Identiek hetzelfde vinden we een eeuw later in het handschrift van schoolmeester Hendrik vanden Coelput (1606-1669)19: “Anno 1566 op sinte Bartholomeus avont werden te Mechelen de Beelden ontstucken gesmeten, Jesper Zul, ende Gedeon .... ... die stonden en sagent al aen, Ende naer den roep van meest de lieden hadden den naem dat sij de Capiteyns daer af waeren, ende heeten en gebieden hadden, ende op den selven dagh dedent selve buyten Mechelen.20
    In een verzameling notities van achttiende-eeuwse oudheidkundigen werd het in slechts licht afwijkende bewoordingen overgenomen, eveneens zonder bronverwijzing: “1566 op sinte bartholomeus avont beltstormerije tot Mechelen. Jaspar Zul ende Gedeon stonden daer tegenwoordigh ende sagent al aen ende hadde den naem van meest alle de lieden dat sij capiteyns daer af waeren ende datse van dit feyt heeten ende gebieden hadden. / int selve jaer op den 22 aug. werden te Mechele tot de minderbroers de belden onstucken geslagen.21” Het staat in het stuk getiteld “1400 1500 tot 1582, 84”, misschien van de hand van Hendrik Dominicus van den Nieuwenhuysen 1724-1780, kapelaan van St.-Barbara in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle en erfelijk provisor van de Putterij22.

    Een in 1567 geschreven vlugschrift (een handschrift, in 1949 uitgegeven door E. Van Autenboer, die een afschrift ervan terugvond op het Stadsarchief)23 voegt in enkele Rymkens (zoals Azevedo ze noemde) nog wat informatie toe over de schippers die de O.L.Vrouwekerk voor inname bewaarden en over de schout die met hulp van burgers St.-Romboutskerk beschutte. Het werd niet in Rome opgesteld zoals in de ondertekening staat, maar de datum van 20 maart 1567 strookt wel met de werkelijkheid24. Azevedo noemde als auteur ook een zekere de Pape25, maar hier staat alleen “Pasquil van Roome” en een paskwil was een anoniem spotdicht26. De voor ons doel belangrijke verzen luidden: “Soemen schreef vyftienhondert zessentzestich jaer / Tes zeer te beclaghen wilt hier op mercken / den XXIIIen Oistmaent int openbaer / sachmen beelden breken ende schofferen27 kercken / binnen der stadt van Mechelen deur der ghuesen wercken / (...) / 't Was vreempt wat Eeenoeghe en zyn ghesel spraken / « Il faut qu'il soit ainsy, laetse gewerden / roert u nyet borghers oftse aen kerkcken breecken / maer commen zy aen u huys wilt daer teghen terden28 » / Dus liet men de quay in haer boosheyt volherden / Men zeyde oock : « daer buyten zyn zesse duysent mannen / die u stadt innemen willen, oft men moet slaen / die beelden ontstucken sonder tegenspannen / Binnen zynder oeck, ghy en kondt dat nyet ontgaen » / Dees lueghentaal heeft het slecht29 volk bedroghen saen30 / Ghy borghers doen Rossem31, quam met syn consorten / ghy en vreesdy nyet, ghy liet u water wassen / Al warender zesthienduysent voor u poorten / ghy en plachter nyet een haer op te passen / onvervaert als oft ghy eenen hont hadt hooren bassen / Wat es dan zes duysent, 't welck al was gelogen / want gheen peryckel en wasser binnen noch buyten / Doer groete poffers32 het volck bedroghen was / Tes een groot abuys t zyn vremde cluyten33, / die beeltstormers en was maer een hoopken guyten34 / En costen die Catholycke dan nyet gemaecken / dat zy tsamen spanden om zulcx te beletten / Neen zy verbaest zynde in dese saecke / mits dat men met bedroch wist om te setten / doen die guyten die beelden ghingen verpletten / Doen die Cordeliers35 hun wel terecht verveerden36 / Wat zij doen zouden dat was haer vraghen / « Als zy comen » sprack Eenoooghe37, « valt plat ter eerden / roept luyde Vive les Geulx, ghy ontvliet haer slaghen » / Sulcken raedsluyden moest men eer stadt vuyt jaeghen / Dat men die beelden nyet en soude schoffieren / die vroukens alleene, tis vry gheen clappen / begeerden t te beletten sedich van manieren / Maer 't was al vaets38, men moester ander bier tappen / (...) / Loff zy Godt voor al, voorts u borghers vol eeren / soo menich duysent binnen Mechelen vailla<n>t39 / Hadden Sul en<de> Gedeon metter stadt heeren / dat nyet verborghen door loes verstandt / ghy zoudet belet hebben tsamender handt / Prys sy die schippers, en lof eeuwelick fyn fal / die onser Vrouwen kerck innamen te beware / Hadden zy ierst40 geweten van zulcx misval / die Min<n>ebroers waeren noch sonder beswaren / zoe zy op den Kersnacht lieten openbaeren / Loff zy u heer schoutet die bedrogen waert / doer die beeltstormers valsche brieven verziert41 / maer t verstandt crygende van den duertoghen42 aert / haddy u als eenen leeuw die niemant en viert / en hebse daer naer terstondt te recht bestiert / den coninck salt u loonen met grooten schat / U getrouwicheyt en sal hy nyet vergheten / Houdt u voorts cloeckelyck en bewaert wel u stadt / al zyn vianden u zeer naer gheseten / Van God en onsen coninck wacht prys ongemeten / Loff zy u goey borghers die de handt op staken / als de schoutet sprack en uwen moet versochte / hem by te blyven, en nyet te versaecken / Sinte-Rombouts kercke te schutten, was dat hy dochte / als Sul met drye ooghen43 een ander werck wrochte.

    Dat de vrome vrouwtjes het beeldbreken wilden (doen) beletten, horen we alleen bij hem en werd ook later door niemand overgenomen. De schippers waren verbonden aan de O.L.Vrouwekerk omdat ze er hun altaar hadden, dat rond 1504 moet gebouwd zijn, vermits ze op 1 januari 1505 (1504 Kamerijkse stijl) bevalen er alle vrijdagen een mis aan op te dragen44; in 1540 zou het al verhuisd geweest zijn van een pilaar in de middenbeuk naar de nieuwgebouwde omgang45. Ook de visverkopers hadden zeker vóór 1547 hun altaar in de middenbeuk van de O.L.Vrouwekerk, in welk jaar hen, aldus pastoor Baeten, toegestaan werd dat in de zuidelijke kruisbeuk op te stellen, naast de inkom van de omgang46. De schipmakers hadden er daar trouwens ook een sedert de eerste helft van de zestiende eeuw47, zodat we gerust mogen stellen dat de hele sector er vertegenwoordigd was.

    Van twee der getroffen kloosters krijgen we rechtstreeks de klacht der nonnen te horen. In de kroniek van het nonnenklooster van Bethanië, tot eind zestiende eeuw juist buiten de Adegempoort gelegen aan wat nu nog de wijk van de Bethaniënpolder heet, staat beschreven hoe zij bij het nieuws van de Beeldenstorm te Antwerpen binnen de stad gevlucht waren en logeerden bij de weduwe van Heyst, moeder van een der zusters, “Ende hebbe daer gheweest XIII daeghen en<de> daeren binnen hebben die ketters ons kercke en<de> allen die kercken buyten Mechelen onstucken ghesmeten en<de> oock die minderbroeders binnen die stat van Mechelen.48
    De nonnen van Blijdenberg, die aan de overkant van de Dijle woonden, tegen de stadsgracht aan, vertelden een gelijkaardig verhaal: “
Anno 1566 den 11 Augustus sijn ons religieusen weder om inde stadt gevlucht ter oorsaken der beldt brekinge die als doen int lant geschiedt. Dit gebeurde int clooster en inde andere kerkcken tot Mechelen op S<in>te Bartholomeus dach. Onse religieuzen waren doen gelogeert tot jouffrou Zeghers inde Bogaerde straete. Zij keerden den 9 October weder naer hun clooster ende vonden doen allen de belden en<de> autaren gedestrueert. T'sindert desen tijt bego<n>st in dese landen den eenen troubel op den anderen, ende de oproerders creghen den naem geusen.49
    In de kroniek van de abdij van Rozendaal in het dorp Walem50, toen net buiten de Heerlijkheid Mechelen, staat helemaal niets over de verwoestingen bij hen, zelfs niets over het hele jaar 1566. Het geschrift is ingedeeld per abdis en voor het bewind van abdis Cloet wist pater De Grande51 slechts te melden: “
De negentwintichste Abdisse: Vrouw Catharina Cloet, werdt Abdisse den vyffden Augusti 1564 Aenveert de reformatie ende stelt traillien inde parloiren52. Ten tijde van dese Abdisse sijn inde kercke van Roosendael gewijdt door den Cardinael Granvel Aertsbiscop van Mechelen vier Autaeren; sterfft 1574 den 3 Augusti.53

    Er bestaan nog wel enkele kloosterkronieken, maar die vermelden er ook niets over. De kroniek van de augustijnen (het vroeg-achttiende-eeuwse handschrift54 van N. de Tombeur55, die o.a. oudere kronieken verwerkte56), springt van 1561 naar 157157. De kroniek van het klooster van Muizen - bewaard in een kopie58 door schilder en kunsthistoricus Egidius Jozef Smeyers59 - vertelt wel met veel details over de hongersnood van 1556-'57, het onweer op St.-Jansdag 1568, de Spaanse en de Engelse furie (toen de Engelse soldaten het H. Oliesel van de nonnen op hun laarzen smeerden, zoals voor elders verhaald door calvinisten tijdens de Beeldenstorm), maar ook zij springen van 1557 naar 156860. Het bevestigt eigenlijk de objectiviteit van deze kronieken: alleen ooggetuigenverslagen worden weergegeven.

    Er bestaan ook voor ons bruikbare kronieken van niet-Mechelaars, waarbij we willen beginnen met die van Godevaert van Haecht over de troebelen van 1565 tot 1574 te Antwerpen en elders (eerst uitgegeven in 1929-1930). Hij was een schilder, met lutherse sympathieën, maar afkerig van het calvinistisch geweld; of hij een man van de straat was, zonder politieke connecties, is minder zeker61. Ook voor Mechelen beschrijft hij de oproer om het koren in november 1565, de strenge vastenvoorschriften (die de afwezige Granvelle voor Mechelen e.a. plaatsen uitgevaardigd had ondanks de overstromingen die er te Antwerpen en omstreken geweest waren) en de predikingen van de calvinisten62. Voor 22 augustus 1566 lezen we dan: “Ende tot Lier en Mechelen hadden sommighe kercken haer autharen self afgenomen, maer sommighe calvinisten van binnen, wilden die loopers van buyten binnen laten, om al de ander oock te doen uytroeden, maer de ander borgers en heeren der stat waeren er teghen; so was er deestyt overal vreese en benautheyt.63” Voor de 28ste staat er in de paragraaf “Van de afsmytinge tot Gendt en Mechelen en van Brusel”: “Tot Mechelen, daer was in het Begynhof al de beelden gebroken en sommighe kercken van binnen de beelden afgenomen. Maer sommighe borgeren calvinis gesint, wilden 't al uytgeroyt hebben, en de autharen gebroken, ommer in een kercke, omdat de calvinisten daerin souden predicken: en sommighe borgeren wilden 't teghen houden: also dat overal benautheyt was en vreese.64” Het stukje over het Begijnhof is kort, maar we zullen dit nergens anders aantreffen, toch niet zo expliciet (slechts omvat in “alle kerken buiten de muren”). Voor 4 september krijgen we nog een toemaatje te horen: “Item op den 4 dach Septembris so werdt tot Mechelen, al was 't op de galge verboden, noch in een kercke de beelden afgeworpen van de calvinisten, (...).65

    Schepene Marcus van Vaernewijck66 (gezien zijn politieke loopbaan iemand die de beslissingen van het stadsbestuur steunde en een katholiek standpunt verkondigde) maakte het ook allemaal zelf mee én beschreef het gedetailleerd in zijn eerst drie eeuwen later uitgegeven kroniek over die “Beroerlicke tijden67, maar het was een Gentenaar. Berichten over andere steden heeft hij dus “van horen zeggen”, waardoor hij toch deerlijk de bal misslaat68. Zijn informatie is dus niet helemaal betrouwbaar, maar hij weet toch een en ander te vertellen (in een moeilijke taal69) dat we van nergens anders vernemen! Zijn beschrijving van de beeldenstorm is trouwens in 't algemeen veel uitvoeriger dan bij G. Van Haecht. Na een kort stuk over alle andere steden samen, pende hij van Mechelen juist een uitvoerig relaas neer (eens zo lang), dat we hier in extenso weergeven: “[p. 185] (...). Den XXIIIJen van ougstmaent, zaterdach zijnde, was ooc de wijsheijt van Mechelen bedroghen, daer den hooghen raet es; want acht mannen van cleender estijme beghonden te breken in de cloosters de afgoden af, zoo zij zeijden, ende alsmen haer vraechde naer haer commissie ende vermoghen, zeijden dat zij commissie70 ghenouch hadden, ende dat moeste zijn zonder eenich vertreck of dissimulacie. Tvolc van binnen esser terstont toe ghevallen, zoo dat den hoop vast meerderde; maer zij en hadden niet moghen weghen oft jeghen hauden, hadden die van Mechelen ghewilt; want zij up dien tijt (mits dat zij de wete van te voren hadden) XVc mannen int hernasch al ghereet hadden, die up den zelven dach ter maerct stonden, ende hadden daer ghestaen twee hueren te voren, eermer ghijnck breken, te weten vander zonnen upghanck. Daer stonden ooc up alle houcken vande straten ingienen71 ghestelt, mits dat ditte thuus van artillerie es van alle dese Nederlanden, ende dat die principale meesters, diese maken, daer woonachtich zijn, waeromme datter van zulcke dijnghen altijts couver72 es. 
Boven al desen was daer den hooghen raet ende wet zoo verdooft, dat zij bevalen dat men niemant van die breken wilden eenich wederstant ofte belet doen zoude. Maer Sente Rombautskeercke wart behauden ende ghepreserveert duer zeker sticken gheschuts, die daervoren ghestelt waren. Aldus zaghen die ghewapende mannen ende die ander ghoede burghers vande stadt, voor haren ooghen, ruwineren ende bedeerven tclooster ten Predicheeren, ten Fremenueren ende meer andere; van al hare chieraigen
73, beelden ende reparacien, daer en was niet gheels ghelaten. Tclooster recht buten der stadt, daer witte monicken zijn, [p. 186] daer men zeer verzouct74 een beelde ghenaemt Onse Vrauwe van Hanswijc, wart ooc binnen gheheel gheruijneert.
Een catolijc predicant
75 in Sente Rombautskeercke, een gheleert treffelic man, hadde in zijn propositie naerder handt voorghegheven ende ghevraecht, of niet alle beelden van haute of van steene ende ander matterien ghemaect, even helich en zijn, waerup hij andtwoorde dat ja, dat deene niet meer en vermochte dan dandere, aldus gheleeck hij die beelde van Onser Vrauwe van Hanswijc bij die ander ghemeene beelden, ende dat zij niet een haer beter en was, naer den gheest te spreken, dan dander beelden; maer dat de lieden om haer schoonheijt oft welghemaectheijt daer meer devocie toe creghen dan tot andere beelden, ende quamense van verre landen met offeranden ende schoon ghiften bezoucken. Een beeltsnijder van Mechelen (die daer vele zijn ende ooc schilders; want men maect daer veel Jhesusen schoone ghestoffert, die in vele landen vercocht werden; want men zecht dat daer wel zijn hondert en L schilders, die wijnckel76 stellen, ende zoo veel cnapen) quam met eenen deeghen an dlijf, ende wilde tbeeltstormen helpen beletten; maer twart hem verboden ende ghezeijt dat hij hem stille hauden zoude. Desen gheleken de gues bij Demetrium Ephesinus, die ghauden casse om Diana maecte ende jeghen Paulum een beroerte stichte77. Alzoo wert alle dijnck betrocken naer dat ment hebben wilt, ende zou ment recht verstaen, zoo wast meer zijn proffijt dan zijn schade, dat die beelden ghebroken werden, mits dat mer dan te meer nieuwe maken zoude, ende der beeltsnijders neerijnghe beteren, ja, die doe gheweten hadde dat alzoo zoude ommeghecommen hebben; want de gues schenen doe boven te binden ende haer zaken gheheel claer te hebben; maer de cause (Gode lof) es anders ghekeert.
Alleen eenen heijlosen costere bescheermde een keercke
[p. 187] buten, neffens die stadt van Mechelen, die hij toe sloot; want daer quamen vier mannen om te breken, die spraken: doet open. Hij vraechde terstont naer haer comissie. Zij zeijden: ons medeghezellen hebbense, dus rast u, tmoet zijn, doet open de dueren. Dus sprack hij: ghoe mannen, vertouft dan zoo langhe, tot dat ic heer ende wet te kennen ghegheven hebbe, om te weten, wat mij hier af te doene staet. Zij waren te vreden. Aldus ghijnck hij an de wethauders van Mechelen, ende dede zoo vele dat hij eenen schepenen met hem creech, ende aldus wederomme commende, spraken zij tot de voornoemde mannen, dat zij haer commissie van breken tooghen zouden, ofte dat neen, dat zij achter een rumen zouden, ofte van daer vertrecken, ende indien zij dat niet doen en wilden, zij zouden haer terstont hondert mannen up haren hals zenden, diet haer wel wijs maken zouden. Dit hoorende zijn wech ghedropen, ende en dorsten haer niet voorder bestaen ijet meer te doene. Hier bleeck dat in desen coster ende wethauder van Mechelen, in dat cas, meer wijsheijt was dan in alle de raetsheeren ende schepenen van Mechelen; want elc meende, dat zij vulle last vander overheijt hadden, ende dat mense niet resisteren en mochte, ofte datter eenighe groote personaigen dhandt an hilden, die haer onbekent waren ende haer noch eijmelic droughen, maer zouden haer in tijden ende wijlen, als de zake bijna ten effecte ware, wel laten kennen, ende dan zout odiues78 zijn ende beschaemt voor de ghene die daer jeghen ghesteken hadden. Alzulcken douck ende bezwijmelijnghe lach up de ooghen van elcx verstant, dat ooc de ghoede catolijcque meinschen niet en wisten wat daer in peinsen, mits dat de ghues altijts metten haren voort procedeerden, ende datter gheen weere jeghen en was; maer [p. 188] zeker die van Mechelen beclaghen wel haer mesverstant in dese zake, stellende die van Ghendt, bij haer te ghelijcken, onschuldich; want wij (zegghen zij) hebben een steercke ghesloten stadt, die van Ghendt laghen open; zij hadden artijllerie, die van Ghendt, gheene; zij hadden duijsent V
c mannen int hernasch, te Ghendt waren zij noch al te zoucken; zij en hadden gheen vijanden ontrent haer stadt, die van Ghendt den gheheelen westcant, zoot scheen; want daer quamen leelicke maren van daer, als dat zij zouden in de wijwatervaten ghepist ende in de vonten haers ghevouch ghedaen hebben, dwelc ooc moghelic gheloghen was; maer dat zij die autaren totten gronde afbraken, die hurghelen79 ende sacramentshuijsen, dat bevant hem waer te wesen.(...)”.
    We horen van geschut dat in St.-Romboutskerk zou opgesteld geweest zijn; van een beeldhouwer die met de degen aan het lijf het beeldstormen zou willen beletten hebben, wat hem echter verboden werd en van een koster die (met hulp van een wethouder) een buitenkerk beschermde. Wat de getroffen paterskloosters betreft, slaat hij echter een en ander door mekaar. Zo spreekt hij van
Fremeneuren, wat vreemd klinkt, maar juist is: fremeneur is een verbastering van “frère mineur”, minderbroeder dus80. Als tweede vernoemt hij echter de “Predicheeren en dominicanen waren er toen nog niet in Mechelen; dit slaat uiteraard op de geschoeide karmelieten. Tot slot noemt hij nog Hanswijk, waar het witte monniken zouden zijn; daar was natuurlijk het klooster van de dalscholieren (reguliere kanunniken die vanaf de divisio van 1288 de nieuwe parochie van Hanswijk bestuurden81), terwijl “wittebroeders” een andere naam is voor de lieve-vrouwe-broeders of geschoeide karmelieten. Hij was natuurlijk een dichter, schrijver, rederijker, tekenaar zelfs, maar geen priester. Hij plaatst ook alles op zaterdag 24 augustus!

    Ook geen Mechelse kroniek, maar wél een belangrijk getuigenis van een tijdgenoot, is het manuscript met de memoires van Pontus Payen, geboren in Atrecht82. Hij was heer van Essars, advocaat te Atrecht en een royalist, behorende tot de “malcontenten” of “paternosterknechten”83. Hij moet tot aan zijn overlijden geschreven hebben over zijn eigen tijd. Het handschrift is bewaard in kopieën in Brussel, Atrecht, Dowaai en Den Haag. Eerst in 1860-'61 werd het in druk uitgegeven door A. Henne. Het vierde boek (deel 2 uit 1861) gaat over wat er in zijn eigen stad gebeurde in 1577-'78, maar de eerste drie boeken (deel 1) vormen de “Livre des troubles et guerres civiles du Pays Bas”. Voor de Beeldenstorm beschrijft hij eerst hoe de katholieken in de meerderheid waren, maar niet verenigd en vastberaden, de ene op de andere wachtend84. Hij vervolgt: “La cause principale de leur pusillanimité estoit, comme je crois, la crainte de perdre leurs biens, de laquelle crainte estoient exempts les adversaires, « parce que la plus part n'avoient que perdre,»85 ainsi que nous avons cogneu par expérience en beaucoup des villes principalles, spéciallement en la ville de Malines que l'on réputoit, comme elle estoit à la vérité, l'une des plus affectionnées à la religion catholique du Pays bas, oò toutes fois LX ou IIIIxx belistres abbatirent les imaiges au couvent de Saint-François, non pas de nuict ny en cachette, ains patentement86 et en plain jour, en despit de Messieurs du Grand Conseil et du Magistrat et à la barbe, sy fault ainsy parler, de six mille Catholiques pour le moins, et, après avoir exécuté leur entreprinse, se retirarent tout à loisir en leurs maisons. Mais ils n'eurent loisir de se vanter longuement de leur témérité, parce que les dits seigneurs du Grand Conseil les firent empoigner et attacher au gibet.” We vernemen van hem dus alleen maar dat in het Minderbroedersklooster de heiligenbeelden gebroken werden, maar het is belangrijker voor de mentaliteitsgeschiedenis: volgens hem waren de katholieken zo laf omdat ze bang waren hun goederen te verliezen, terwijl hun tegenstanders niets te verliezen hadden.

    Ook de kroniek van Augustijn van Hernighem, een Ieperse notabele, korenmeter en rederijker en vooral een trouw en vroom katholiek die duidelijk niet opgezet was met die religieuze nieuwlichterij87, werd uitgegeven88, maar is minder gedetailleerd dan de andere voor wat de Beeldenstorm betreft en is vooral voor Ieper van belang89.

    Geen plaatselijke getuige hier (want hij was begin 1566 al naar Spanje vertrokken), maar wel een belangrijke tijdgenoot, was Joachim Hoppers (Hopperus, 1523-1576), jurist, hoogleraar en adviseur van de koning90. Zijn manuscript Recueil et Mémorial des Troubles des Pays Bas du Roy (1559-1566) (vertaling uit het Spaans) werd eerst in 1743 uitgegeven door kanunnik Hoynck van Papendrecht. Hij wijdde een hoofdstuk91 aan de Beeldenstorm (“CAHP. III Des pilleries, feux & destructions des Eglises & Monasteries des pays d'embas / (...)”), maar veel wijzer worden we er niet van: “Semblables roberies & destructions se feirent en la ville de Gand, Malines, & alentour d'icelles; & disoient les Rebelles, qu'ilz feroient le mesme a Louvain, & a Bruxelles, a la veue de Son Alteze; mais (...).92

    We hebben uitdrukkelijk de ambtelijke en administratieve teksten niet willen opnemen, omdat we een vergelijking van de verhalende wilden maken en dan nog uitsluitend m.b.t. de schade. Toch willen we hier één uitzondering tussenvoegen, omwille van het verhalende karakter ervan (én de volledigheid ervan, want alleen hier horen we het hele verhaal), al is het natuurlijk een verdediging van hun acties en ook niet bestemd voor de ogen van het grote publiek. Kan. de Azevedo publiceerde echter in 1770 een vertaling van het hele stuk en dus maakt het bovendien al tweeënhalve eeuw deel uit van de geschiedschrijving. Op 25 september 1567 schreef griffier G. van Ophem, in opdracht van de stadsmagistraat en om te overhandigen aan de heren Everaert en Pamele, afgevaardigd door de hertog van Alva om zich te informeren over de troebelen, een lang verslag in 70 punten over wat er gebeurd was sinds 26 maart 1566, getiteld “Deduction et narration de l'estat et conduite de la ville de Malines durant les derniers troubles de ces paijs et ce depuis le XXVIe du mois de mars XVCLXV avant Pasques auquel jour son Alteze par ses l<ett>res advertissoit le Magistrat des secretes ligues et conspiratio<n>s qui estoient sur main jusques à la venue du Duc d'alve93. In punt 25 beschrijft hij de vlucht der begijnen en religieuzen op 21 augustus: “Led<it> mercredij envers le disner se mirent sur pietz les beghines et aultres Religieuses demourants en divers cloistres hors la portes dud<it> Malines esmentes d une fraijeur extreme (: par le moien de qui peuvent elles scavoir :) et amassans tous leurs meubles les viendrent saulver et refuger dedans la ville en toute vehemence”. We horen dan hoe schermmeester Gedeon op de avond van donderdag 22 augustus in de abdij van Rozendaal (te Walem) de beelden gebroken gevonden had (§ 30) en men de volgende dag (een eind) buiten de stad de beelden brak in de kloosters van Leliëndaal (te Hombeek) en Muizen (§ 50). De paragrafen 51 en 52 zijn verder voor ons het interessantste: “LI. Cependant les adversaires se mirent a briser ca et la quelques images aux Cordeliers ne crians que apres le gardien lequel ilz vantoient de meetre en pieches p<ar> qualtre chevaux au cas qu'ilz l'eussent peu recouvrer voires disoient aulcuns que si leur eust laisse icy le gardien de Louvain en lieu qu'ilz brisoint les images, eussent plustot respandu leur sang pour les p<re>server. / LII. Et entendant le Magistrat que led<it> M<aist>r<e> Gedeon estoit ausd<its> Cordeliers, en furent grandem<ent> esbahy94 veu ce q'uil leur avoit promis le jour p<re>cedant et le firent appeller sur la maison de la ville pour scavvoir s'il y estoit pour f<air>e du mal ou du bien, il respondist que c'estoit pour y f<air>e du bien d'aultant plus qu'estant de la confession d'Augsburcq95 il ne pouvoit aulcunement advouer ce que l'on y fesoit, ce neantmoins pour estre de nouvelle religion il essayeroit de trouver moien de les f<air>e deloger pourveu qu'il les puist mener boire aux despens de la ville, ce qu'on luy accorda et suyvant ce fut empesche le surplus dud<it> brisement et com'ilz estoient sortiz hors du cloistre pour aller boire se cuydoient96 jecter au cloistre de S<ainc>te Claire, le que voyant led<it> M<aist>r<e> Gedeon les en detourna, faisant clore leq<uel>le et leur fit dresser des tables a la court du cloistre, ou que ayans beu quelque peu, se dep<ar>tirent tout soudain vers les bogardes, ce que voyant le Magistrat mesme que c'estoit une petite chapelle et que tout ce que y avoit este dedans estoit saulve et que p<our>tant ilz n'y pouvoient f<air>e quelque degast, com<m>enca a prendre courage esperant de les pouvoir amuser a les enyurer p<ar> le moien de M<aist>r<e> Gedeon et quant et quant les f<air>e separer mais com<m>'ilz avoient bu quelque temps sans avoir faict autre dom<m>aige sesmeult entre eulx ung cry qu'ilz voloient aller encoires autrep<ar>t. Et de fait se mirent a courir vers les Carmes au monastere ou led<it> M<aist>r<e> Gedeon les mist a table et pour les entretenir leur feit chanter des psea<u>mes ce neantmoings voiant que aulcuns d'eulx alloient vers l'egl<is>e ou ilz com<m>enchoient a rompre quelque chose et que la co[m]paignie se prit de rechef grad<uell>em<en>t a s'augmenter com<m>enchant le Magistrat de rechef a craindre de lant que indubitablement ilz debvoient avoir plus grande intelligence p<ar> la ville que l'on ne pensoit, affin que de pres on peult scavoir ce qu'il en estoit fut advise d'y envoyer a ces fins et y estant envoye a diverses fois, manda led<it> M<aist>r<e> Gedeon au Magistrat que quoy qu'il pouvoit f<air>e il ne les scavoit mener al la taverne. Et ainsi cognoissant led<it> Magistrat que la compaignie croissoit de plus en plus enragee et que l'on craignait fort la nuyt ensuyvante l'on estima que le plus seur seroit si ilz fussent hors la ville, de tant plus que cela se pouvoit f<air>e sans inco<n>venient au regard des monasteres et egl<is>es y estans car desia estoit des le matin illecques97 com<m>ence led<it> brisement et y avoit grande quantite de peuple estranger assemblee a ces fins, et com<m>e on estoit empesche pour trouver quelque bon moien de les f<air>e sortir, fut pense que si soubz quelque couleur y eult une porte ouverte com<m>e pour laisser sortir les villageois et autres estrangers polroit aussy a ceste occasion sortir la plus grand p<ar>t de lad<it>te canaille. Et p<our>tant fut faict une publication en p<re>sence de l'escoutete a son de trompette, que s'il y avoit quelq'un qui voloit sortir la ville on ouvreroit a ces fins la porte de Bruxelles mais com<m>e il y eust empeschement a l'ouverture de lad<it>te porte, fut en lieu d'icelle, ouverte la porte de Louvain et fut a ce f<air>e com<m>is led<it> Guilla<u>me de Merode avecques bonne quantité d'archer lequel affin que la porte ne fut en danger d'estre surprins p<ar> les adversaires aussy bien p<ar> ceulx qui estoient dehors en grand nombre que p<ar> ceulx que l'on entendoit se sortir de dedens, trouva moien les f<air>e sortir p<ar> trouppes seulement tenant tousiours l'une porte serree cependant que l'autre se ouvroit et p<ar> ainsy en sortist bien deux ou trois cens desd<its> belistres recourans neantmoins aulcuns autres d'eux a la ville repantans de d'estre separez ainsi, com'ilz disoient publiquement et aussy demeura dedens led<it> M<aist>r<e> Gedeon.

    Er bestaan nog enkele handschriften, maar die zijn meestal achttiende-eeuws. We gaan nu eerst verder met wat de drukpersen toen opgeleverd hebben en beginnen met wat de Duitse kartuizermonnik Lorenz Sauer (Surius)98 twee jaar na de Beeldenstorm al wist te melden in de eerste uitgave van zijn Commentarius brevis rerum in orbe gestarum: “Qua die Gandavi, eadem etiàm Mechliniae tumultuatum est, iamq<ue> à Franciscanorum & Carmelitarum monasterijs initia sumebantur confringendarum imaginum in sacris aedibus; verum civibus se opponentibus, eodem die sub vesperam extra oppidum, monasterium Hansuuicense & alia circumadiacentia templa expilârunt & depopulati sunt. Igitur Mechliniae quoquè à die Martis ad Dominicum usque, Divina sunt intermissa officia. Duces huius tumultùs duodecim plùs minùs adolescentes secum habebant, ijque paulò antè captivum quendá Vilvordie impotenti audacia è carcere extraxerant.99” Hij is de eerste die de (geschoeide) karmelieten vermeldt en het ook heeft over de aanwezigheid van een dozijn jonge mannen die eerder in Vilvoorde uit de kerker bevrijd waren100.

    De Bazelse lutheraanse101 rechtsgeleerde Adam (zoon van Hendrik, vandaar Henricopetreus en verwante102) Petri103 (1543-1586) publiceerde niets als jurist, maar wel als geschiedschrijver. In 1575 werd als zelfstandig werk al zijn deel over de Nederlandse opstand uitgegeven: Niderlendischer Ersten Kriegen, (...). Hij heeft zo weinig bronnen benut104, dat zijn werk vandaag waardeloos is. Het trok echter indertijd snel de belangstelling van de Nederlandse opstandelingen, zodat het enkele jaren later in 't Nederlands, Frans en Engels vertaald werd. Daarom had het toen een grote invloed op de mening van de wereld. Mechelen wordt vermeld bij de grote steden waar de beeldenstormers langskwamen, maar daarmee is ook alles gezegd: “Auff den xx. Augusti, gewesen auff den Zinstag, haben sich in Antorff (...). Was aber den Morgen hernach ausser der Statt, in den vmbligenden Klöstern, Flecken, inn grossen Stetten, als Mecheln, Herßogenbusch, zu Dort, zu Niemwegen vnd anderen grossen Stetten beschehe<n>, vn<d> wie daselbst gleicher gestalt die Gößen außgefäget, hab ich mir nur allein fürgenommen die Schlacht zu Antorff beschehen, zu beschreiben. Darauß die vberigen zu verstehn. / Dann auff den einvndzwenßigsten tag Augusti, da es tag worden, am Mitwoch, findet man (...).105” Hij is duidelijk: er gebeurde toch overal hetzelfde, dus vertelt hij alleen over de strijd te Antwerpen en uit dat verhaal moeten we maar begrijpen wat er elders gebeurde.

    Aan zijn bronnen hebben we zelf niet veel, maar ter volledigheid willen we ze wel vermelden. Het oudste was de aan Philips van Marnix van St-Aldegonde106 toegeschreven107 Vraye narration et apologie uit 1567, een verrechtvaardiging die de verdenkingen van protestanten buiten de Nederlanden tegen hun geloofsgenoten moest wegnemen. Uiteraard heeft hij het over bijna niets anders dan de idolatrie en het iconoclasme, maar het boekje is theoretisch en hij geeft geen details108.
    Het uiterst zeldzame Recueil de toutes les choses mémorables
uit 1568 vangt eerst aan met 28 oktober 1567, nà onze Beeldenstorm dus. Het gaat overigens over Frankrijk en de schrijver vermeldt slechts “les troubles auenus au pays de Flandres” om duidelijk te maken dat Vlaanderen en Artesië eigenlijk tot de Franse kroon behoren109.
    Het drie jaar later verschenen werkje110 van de calvinistische theoloog en historiograaf111 Jean de Serres (
Serranus, 1540-1598)112 behandelt weer de godsdienstoorlog in Frankrijk113. We vinden er slechts de strijd van Alva tegen Willem van Oranje en zijn broer Lodewijk van Nassau in beschreven, Alva's wreed bestuur en de executies van Egmond en Horne114.
    Datzelfde jaar zag in Keulen de eerste uitgave van
La vraye et entière histoire des troubles et choses mémorables, het boek van Henri Lancelot-Voisin de La Popelinière (1541-1608)115, een Franse hugenoot maar vrij objectief, het licht. “avenues tant en France qu'en Flandres, et pays circonvoisins, depuis l'an 1562” staat in de veelbelovende titel, maar hij begint zijn stuk over de Nederlanden eerst met een “discours de mon histoire par les entreprises du Duc d'Albe & du Prince d'Orége sur le pays bas”, anders gezegd met het zenden van Alva, zonder de Beeldenstorm aan te halen116.

    Dé grote afschrijver van La Popelinière was Jean le Frère de (geboortig van) Laval (begin 16
de eeuw – 1583)117, directeur van het College van Bayeux aan de universiteit van Parijs en een vertaler van Griekse en Latijnse teksten in het Frans. Hij zou zijn werk juist een katholiek tintje gegeven hebben. Toen La Popelinière zijn boek dan maar herwerkte onder de nieuwe titel
L' Histoire De France (verschenen 1581), deed zijn compilator het volgende jaar prompt hetzelfde. Toch is het onzeker of dat voor het eerste (ook een vraye et entiere histoire des trovbles et gverres ciuiles) ook het geval was118. Hij wijdde wél enkele woorden aan de Beeldenstorm, zij het zonder plaatsen te noemen; het is slechts een aanklacht tegen de calvinistische “vrijheid”: “Finablement ils commencent à faire gouster les fruits de leur liberté Caluiniste , c'est à dire d'vne desbride à tout brigandage, & à la roupture des bonnes lois du repos public, rauageans en peu d'heure vne infinité d'Eglises & brisans les images auec l'outrage & profanation de toutes choses sacrées.119” In dat gedeelte vertelt hij verder nog over de vergaderingen en predikingen van de geuzen in Vlaanderen, Brabant en Zeeland en hoe de gouvernante beloofde de inquisitie wat op te schorten, maar de koning besloot een leger te sturen, waarbij hij de leiding liever toevertrouwde aan Alva dan aan zijn eigen zoon Carlos120.

    Door Henricpetri volgens Vermaseren niet gebruikt121, was het boek Pannonicum Bellum van de Italiaanse protestant Pietro Bizarri (Petrus Bizarus of Pizarus, 1525-1586)122. Hij heeft het over de gebeurtenissen te Antwerpen (bijeenkomsten van de protestanten, de preken, het willen vernietigen van de oude ritus, de komst van Oranje, wat later vervangen door Hoogstraten)123, maar het enige vermeldenswaardige is dit korte stukje: “Cęteru<m>, uix inde abierat, cu<m> proximo die, qui fuit primus, & uigesimus Augusti, populus omnnis morę impatiens, ueteres ritus abolere incœpit, suamq<ue> sententiam, apertè ac liberè profiteri. Hinc sané factum est, ut Auraicus breui ad urbem rediret, ne his grauiora succederent.124”.

    Dan kunnen we nu eindelijk terugkeren naar Adam Henricpetri, die in 1577 bij zijn broer Sebastiaan in Bazel zijn General Historien liet drukken125. De hierin behandelde periode is 1555-1561 en dus voor ons niet belangrijk, maar we schreven hierboven al dat zijn Niderlendischer Ersten Kriegen bij de Nederlandse opstandelingen zozeer in de smaak viel, dat het tot vertalingen kwam en die gaan nu volgen: de Nederlandstalige Chronyc. Historie der Nederlandtscher Oorlogen, troublen en Oproeren oorspronck verscheen in 1579 of '80 en de Franstalige Histoire des trovbles et gverres civiles du Pays-Bas in 1582. Thomas Stocker126 vertaalde die laatste voor het Engelstalige publiek127: A tragicall historie of the troubles and ciuile warres of the lowe Countries, otherwise called Flanders (1583)128. De titel heeft het over de wrede Spanjaarden en verraderlijke Walen (net als in de Franstalige versie, maar daar staat voor de tweede nog maar “des Espaignolisez”), wat al voldoende zegt over de teneur, waarbij de morele schuld bij de Spanjaarden gelegd wordt129. Als antwoord op de vraag wie de vertaler/compilator was van de Chronyc en de Histoire, zijn doorheen de jaren al vele hypothesen geformuleerd en verworpen; er is nog niets zeker130. Ze lijken in elk geval veel meer op elkaar dan op de Duitse versie. In de Chronyc staat: “Anno 1566. omtrent den 16. en<de> 17. Augusti, geschiede in veele Steden en<de> Dorpen der Nederlanden, een seer haestige131 affwerpinghe der Beelden, A[u]taren en<de> cieraten, welcke datum des Jaers die CapitaelLetteren deses Verskens wt wijst. ConCIo saCra FLVIt tVMIdI CeCIdere DeasterI.132” Wie eens goed telt, zal vaststellen dat de hoofdletters F (sowieso geen Romeins cijfer) en D (er staan al 5 C's) overbodig zijn om in dit chronogram 1566 te vormen; ze staan trouwens ook niet in de Franse tekst: “(...) l'An 1566 (...). Enuiron le 16. & 17. d’Aoust dudit An, furent subiteme<n>t en plusieurs villes & villages du Pais-bas, brisés les Images , demolis les autels & ornemens des Eglises : Le date de cest an se trouue par les lettres Capitales de ce verset: ConCIo saCra fLUIt tUMIdI CeCIdere deastrI.133

    Naast de grotere werken zijn er nog wat opuscula geweest over het begin van de troebelen en opstand tot aan de komst van Alva. De stokoud geworden Mechelse “amateur distingué” J.-B. Rymenams134 (1748-1840) had ze in zijn bibliotheek135.
    Zo'n eerste frutsel kwam van de hand van Filips Galle (
Philippus Gallæus, 1537-1612), bij wie eind 1578 al een Latijnse tekst verschenen was, bedoeld als commentaar en uitleg bij een wandkaart van de Zeventien Provinciën (beide originelen zijn verloren gegaan136). Na het grote succes van zijn historisch werk en blijkbaar op uitdrukkelijk verzoek (de kaart was erg groot en niet iedereen begreep de Latijnse tekst) verschenen het jaar daarop bij Plantijn Franse137 en Nederlandse138 vertalingen van zijn annotaties139. Dit soort overzichtwerkjes geeft natuurlijk niet veel detailinformatie! Hij schrijft slechts: “Ces presches qui estoyent frequentez de tres-grande multitude de personnes, ayans continué 6. ou 7. sepmaines, aucuns en ladicte basse Flandre se meirent à abatre les images és temples. Ce que fut poursuiui en plusieurs autres villes, comme aussi à Anuers le 20.d'Aoust.140

    Vijf jaar later is het de beurt aan kanunnik Florentius Vander Haer (Haereus), de Leuvense katholieke geschiedschrijver141, maar die deelt ook slechts beknopt de vernielingen bij de franciscanen en karmelieten en in de buitenkloosters mee (“Advocatum item percelebrem malæ fidei unum item & alterum, effugere eam tempestatem ita non potuit, quin pauci nebulones sint inventi, qui Carmelitis & Franciscanis palam vim facerent, eorum monasterium templa diriperent, inde urbe digressi, in vicina urbi monasteria pro arbitrio grassarentur.”) en iets tevoren het zenden van de militaire gouverneurs (nà de feiten): “Inde vt viribus resumptis sic agere per se rem præclarè est agressa: Egmondanum in Fla<n>driam, Antuerpiam Orangium, Mechliniam Hoochstratanum, Tornacum Hornanum, Valencenas Noircarmium ad res curandas transmittit142”. Hij beweert wél dat weinige binnengekomen onverlaten die schade hadden kunnen aanrichten, doordat twee advocaten die duidelijk te kwader trouw waren, beweerd hadden dat men toch niet aan die storm kon ontkomen.
    In hetzelfde jaar verscheen ook de eerste uitgave van Verstegen's werk, maar dat was maar een soort horror-stripverhaal, met polemische bedoelingen143, over de martelingen en straffen uitgevoerd door de protestanten in Engeland, Frankrijk en de Nederlanden144.

    Drie jaar later (1590) zag de eerste, Latijnse uitgave van Strada's “De bello Belgico decas prima” het licht, maar van Mechelen had die heel gezagsgetrouwe jezuÏet145 blijkbaar niets gelezen: “Nec minus, dum haec Antverpiae, juxtàque gerebantur, iisdem planè diebus Gandavi, Aldenardae, aliisque in urbibus per Flandriam, quae à Lysa ad Scaldim ac Tenarum usque pertinet, idem perduellium furor in Templa, & Sacra omnia impunè grassabatur. (...)146 of in de Nederlandse vertaling later: “Ter wijle des afgrijslijcke vermetentheden147 binnen Antwerpen ende daer omtrent bedreven wierden, soo en is de raserije der beeldt-stormers ende kerkck-scheynders, recht op de selve daghen, tot Ghendt, tot Oudernarde, ende in andere Vlaemsche steden die tusschen de Leye, de Schelde ende den Dender gheleghen zijn, niet minder gheweest. (...)148.

    Weer niet veel meer dan een overbodige frutsel, was de “Discovrs svr l'estat des Pays Bas” uit 1593, van de hoveling en dichter Maximiliaan de Wignacourt (Vignacurtius, 1560-1620), die met zijn lofdichten aan de kost probeerde te komen149. Zijn Discours is dus per definitie een katholieke en royalistische interpretatie van de troebelen, partijdig en te omslachtig: alle ellende was de schuld van de ketters en Oranje. Men kan het werkje alleen belangrijk noemen omdat het een samenvatting is van de ideeën uit regeringskringen. In 1598 vatte hij zijn Discours ook nog eens samen in dichtvorm150. Het valt nog mee dat hij niet veel wist te vertellen: “Tost apres la requeste presentée les plus insolens de la seditieuse populace, esmeus par ceste opinion de support des co<n>federez, & par la suggestion de leurs ministres, attenterent le saccagement, deluge, & rauage, qui aduint en diuers lieux de ces prouinces : d'оu en aucunes villes s'ensuiuit le remuement par vne leuée d'armes , & ouuerte rebellion. Le sage gouuernement de Маdame la Duchesse amortit ce premier brandon, par la route des seditieux , & par la reduction en obeissance des villes rebelles.151

    In 1595 zag dan de eerste editie van 't overbekend werk152 van de Hollandse geschiedschrijver Pieter Christiaenszoon Bor153 het daglicht onder de titel Oorspronck, begin ende aenvang der Nederlantscher oorlogen, beroerten ende borgerlijcke oneenicheyden. (...), waarin te lezen staat: “Te Mechelen hebben eenige te Minnebroeders ende in sekere andere Cloosteren sulcx oock begonst, maer is voort belet.154 In de vele heruitgaven (met al even vele titels) tussen 1601 en 1679 (hij was al overleden in 1635) bleef de tekst quasi ongewijzigd, op wat spellingsvarianten na. Hij wordt beschouwd als de eerste grote vertegenwoordiger van dit soort succesverhalen, gebaseerd op een visie van eenheid, stoelend op drie sleutelmotieven: vrijheid, godsdienst en handel155. Naast misschien het gebrek aan meer informatie over Mechelen, is er nog een andere, algemener reden voor zijn beknoptheid over de Beeldenstorm: ook protestantse historici blijken immers weinig gelukkig geweest te zijn met dit calvinistische geweld. Bor vond het te lang en te “verdrietelijk” voor zijn lezers om alle lokale details te vertellen. Zelfs de orthodox-protestantse negentiende-eeuwse schrijver Groen van Prinsterer156 betreurde de aanvallen157. I.p.v. door zo'n spontane, volkse baldadigheid moesten gereformeerden de afschaffing van de beeldendienst op regelmatige en wettige wijze nastreven158.

naar boven    Vóór zijn dood in 1602 verscheen een eerste druk van de Historia Secessionis Belgicae door de Arnhemse proost Pontus de Huyter (Heuterus), een priester (de beeldenstormers waren in zijn ogen dus heiligschenners) die meermaals voor de calvinisten moest vluchten159. Het was een onderdeel (16de tot 18de boek) van zijn Rerum belgicarum, het Vitae Philippi II pars tertia, quarta, quinta over de periode 1560-1569160, maar dit stuk werd in beslag genomen door de inquisitie, zodat blijkbaar geen enkel exemplaar ervan het overleefde161. We zitten net niet in 't midden van de zeventiende eeuw als we het opnieuw zien verschijnen in de herdruk van zijn Opera historica omnia162. Zijn – al dan niet terechte – overtuigingen zijn duidelijk wanneer hij begint met de hoofdschuld te leggen bij de felle calvinist Filips van Marnix (heer van Sint-Aldegonde), raadsman van de prins van Oranje, die volgens diens wil de Beeldenstorm zou besteld hebben, waardoor die op twaalf dagen tijd in bijna alle steden der Nederlanden plaatsgreep: “Antverpianos, receptis agraris proclamatoribus, sequuntur Lirani, Buscoducensis, Tornacenses, Valencenenses, ac pro parte Geldri, Hollandi, Zelandi, Frisii, tantâ celeritate, ut spatio duodecim dierum, ex constituto (ut revera, è voluntate Aurantii, Philippus Marnixius, Calvinista acerrimus, Aurantioque ab intimis consiliis, fieri curâret) tot urbium, municipiorum, oppidorumque templa, sacella, ac monasteria sint profanata, direpta, damnisque incredibilibus affecta, à paucis facinorosis sacrilegis tenebrionibus, sellulariis, furibus, incendariis, ac latronibus. Unde discimus, quales Apostolos novarum Religionum auctores, præ Joanne Baptista ac Christo, in mundum docendis hominibus emiserint, & à quam egregiis initiis cœperint.163” Wat verder vertelt hij dan het verhaal van het gevecht dat de Mechelaars in “1559” gehad hadden met een legertje Spaanse soldaten dat door de stad trok, om aan te geven dat de Mechelaars de katholieke godsdienst wel zeer toegewijd waren, maar afkerig van de Spanjaarden164 (Filips II was op 23 augustus 1559 vertrokken uit de Nederlanden, maar het incident in Mechelen met de twee vendels165 Spanjaarden greep eigenlijk plaats op 12 oktober 1560166; ze waren een deel van het leger dat tegen Frankrijk gevochten had en nu zogezegd door Filips II naar Zeeland geroepen was, vanwaar die naar Spanje wou vertrekken en hen wou meevoeren; Heuterus vergist zich dus, want de veteranen hadden helemaal niet willen vertrekken, omdat ze nog niet betaald waren en deze twee vendels, o.l.v. Philippe du Chaisne, moesten naar Vilvoorde en vandaar verder naar Antwerpen). De soldaten waren onbeschaamd geweest en de burgers agressief, zodat het tot regelrechte gevechten kwam met gewapende burgers. De veteranen hadden zich verdedigd, maar zagen dat ze het niet konden halen zonder veel bloedvergieten, want de burgers bezetten de St.-Katelijnepoort, vanwaar ze zich verdedigden met zich uit het arsenaal van de koning toegeëigende musketten, die ze dreigden te ontladen op de soldaten, als die niet zouden vertrekken. Julianus Romero167 [de Spaanse held en “beul van Alva”, later generaal en toen – samen met Jean de Mendoza – commandant van de Spaanse infanterie], zwoor, toen ze met hun wapens en bagage wegtrokken, dat hij ooit, bij leven en welzijn, de standaarden van hun infanterie opgericht op de markt van Mechelen, zijn wraak zou krijgen voor de vernedering van dit jaar 1559 (sic). Het verhaal lijkt wat geromantiseerd, maar tijdens de Spaanse Furie in 1572 maakte hij hier blijkbaar wel een rijke buit (hij was ook verantwoordelijk voor het bloedbad van Naarden, enz.). Het is alsof Heuterus verontschuldigingen zoekt voor de Spaanse wreedheden. In een spontane volksopstand gelooft hij duidelijk ook niet, want het zouden de twee beruchte stadspensionarissen geweest zijn, die samen met twee inhalige advocaten een hoop burgers tot zich getrokken hadden, die dan heiligschenners opstookten om de kerken van de geschoeide karmelieten en de minderbroeders te vernielen. We geven het volledige stuk: “Mechlinia cives Catholicæ Religioni addictissimos, sed erga Hispanos pessimè affectos habebat. Demonstrarant contra Hispanum militem, cùm Rex Philippus in Hispaniam navigaturus, eosque abducturus , in Zelandiam convenire jussisset. Julianus enim Romerus, cum legione Mechliniam transiens, paucisque diebus suos reficiens, cùm militaris insolentia, civiumque petulantia, primùm lites, deinde pugnam inter paucos concitasset, tandemque universam commovisset civitatem, armati cives omne imperium rejicientes undique in Hispanos feruntur. Defendunt se veterani acriter. Cives sine magna sanguinis effusione superari eos non posse videntes, quod portam D<ivæ> Catharinæ, unde se sclopetis168 defenderent оссupassent, productis ex armamentatio169 Regiis majoribus tormentis170, in eos se exoneraturos , ni discessissent, minantur. Hispani his carebant. Indigna igitur coacti necessitate, cum impedimentis armisque discedunt, jurante Romero, se aliquando salvâ vitâ hanc indignitatem erectis in foro Mechliniano militantibus peditum suorum signis ulturum Hæc anno M. D. LIX. contigere. His civium erga Hispanos exacerbatis utendum animis cenientes urbis Pensionarii Wastelius, & Vander-Cammius, totidemque Advocati, homines avari, ambitiosi ac turbulenti, fœderatis ac novatoribus associati, tracto in partes Francisco Dorpio, ac Philippo Vanderao, ob rei familiaris augustiam rebus novis studentibus : Dorpius quidem, Marchionis Verani testamento executioni mandando præfectus, ne hæredibus rationes redderet ; Vanderaus, quòd exigua parentum hæreditate, uxorisque dote, ambitioso animo satisfacere non posset, ad Aurantium defecerant, civesque non paucos in sententiam adduxerant, qui clam concitatis aliquot sacrilegis, ut Carmelitarum ac Franciscanorum templis, ædibusque sacris, extra muros constitutis, vim inferrent ac spoliarent, facilè реrsuaserant. Moxque proclamatorum unus, extra civitatem in viridi campo positâ altiori sede, verba aliquoties ad populum facit, qui maiori numero еxiens, tandem invadente eos justa manu Brabantiæ Prætore Spellëo171, omnes nemine cæso, quòd se non defenderent, in fugam agit. Proclamatorem cum Consistorii Senatoribus captum Walemii ad arborem strangulavit172, reliquis viris ac fæminis superiores vestes ademptæ.173

    Niet veel later dus en dit keer toen de auteur ervan al 5 jaar dood was, verscheen Svi temporis historia van Michael van Isselt, een werk dat beschouwd wordt als het vervolg op dat van Haereus. Hij was een Nederlandse katholieke priester (geboren in Amersfoort en gestudeerd in Leuven), die als Rooms geestelijke met de Omwenteling verbannen werd uit Amersfoort, Zwolle en Nijmegen en naar Keulen en Hamburg uitgeweken was174. De bibliografen schrijven dan ook van hem dat hij – begrijpelijk – partijdig is175. In dit dikke boekje lezen we: “Mechlinia his temporibus cives Religionis Catholicæ perquàm studiosos habuit: sed unius aut alterius malesani Pensionarij, Aduocati etiam vnius consilio effectù, ut pauci nebulones Carmelitis & Franciscanis vim inferrent, eorum monasteriorum templa diriperent, inde in vicinia vrbi monasteria grassarentur.176” Inhoud en woordkeuze lijken erop te wijzen dat hij dit haalde bij Vander Haer.

    Tussen 1605 en 1613, terwijl hij voorzitter was van de provinciale Raad van Artesië177, schreef ridder Renon (of Renom) de France, later (1622) voorzitter van de Grote Raad178, zijn in 1886 eerst uitgegeven kroniek “Histoire des causes de la désunion, révoltes et altérations des Païs-Bas”. Het zou vnl. geput zijn uit de papieren van raadsheer Christoffel d'Assonleville179, zoals Sanderus reeds beweerde180. Deze was lid geweest van de Geheime Raad en de Raad van State181 en is zeker bekend van zijn aandeel in de onderhandelingen met Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem de Zwijger182. Christoffel had drie kinderen: Maria, de debiele Karel en de jong gestorven Willem183. Die laatste had een dochter Margareta en die erfde Bouchout. Zij was getrouwd met Jérôme-Gaspard de France, zoon van onze Renom (al moesten ze daarvoor wel een proces winnen tegen de echtgenoot van Maria), die later ook de baronstitel184 van zijn vrouw haar grootvader opnieuw verkreeg185. Ook zijn schoonvader Willem had zijn katholieke orthodoxie bewezen met enkele Latijnse publicaties: een lofrede op de Aankondiging aan de H. Maagd en een verhandeling tegen alle vijanden van de godsdienst186. Het heeft de familie geen windeieren gelegd. Na het overlijden van Christoffel d'Assonleville wilde zijn opvolger dat de erfgenamen alle titels betreffende de charters van Artesië zouden overhandigen. Volgens Ferry de Locres kwamen de manuscripten van Christoffel uit de bibliotheek van Renon de France en zouden de historische werken van die laatste wel eens niet vreemd kunnen zijn geweest aan de problemen die Adrien Delattre kende om alle titels te laten terugkeren naar de tresorie187! Hoe zou Renom dan aan die manuscripten geraakt zijn? Daarvoor moeten we uit een stapeltje achttiende- en negentiende-eeuwse beschrijvingen, met de gebruikelijke lapsussen, de familiegeschiedenis verder aaneenplakken188. Renom de France volgde in 1587 zijn vader Jérôme op als raadsheer in de Grote Raad van Mechelen189, toen die voorzitter van de Raad van Artesië geworden was, een functie waarin hij later eveneens door zijn zoon opgevolgd werd190. Vader was toen nog maar “Seigneur de la Vacquerie” en verkreeg eerst het volgende jaar, op 9 december 1588, van de koning de waardigheid van ridder191. Jérôme was getrouwd met Noëlle d'Assonville, dochter van Philippe (griffier van Atrecht) die ook de vader van Christoffel was; m.a.w.: Christoffel was een oom van Renom! Renom was geen enig kind, er waren ook nog Jacques, Marie en Philipote. Deze laatste was in 1585 getrouwd met Adrien Delattre192, die we hierboven al leren kennen hebben als opvolger van Christoffel. De familiesaga was hiermee nog lang niet ten einde. Renon trouwde met Antoinette (de) Fournel, dochter van Antoine193 en ze kregen verschillende kinderen. Zoon Adriaan zou net als zijn vader voorzitter van de Grote Raad worden194. Dochter Isabelle trouwde in 1630 met ridder Robert de Beauffort195. 't Was haar neef, want diens moeder Suzanne de Fournel, tweede echtgenote van Gilles de Beauffort, was een zuster van haar moeder Antoinette196! Dan was er nog Christophe (die bisschop van Saint-Omer werd), Jérôme-Gaspard (de latere baron van Bouchout, waarover verder) en nog een dochter die abdis werd van de edele benedictinessenabdij van Avesnes-lès-Arras197. Het gaat om Gislène de France, abdis van 1635 tot haar dood in 1651198. We springen nu even terug naar de familie d'Assonville. Willem, zoon van Christoffel, was op 7 mei 1596 door de aartsbisschop zelf in de echt verbonden met Levena Tzandelijn (Livine Sandelin199) uit Herenthout200. Hij moet een jaar later overleden zijn, maar had een dochter, Marguerite. Grootvader Christophe had zijn “neef” (eigenlijk achterneef) Jérôme-Gaspard de France benoemd tot testamentuitvoerder, samen met Delattre die voogd was van de minderjarige Margaretha d'Assonville201. Vijf jaar later trouwde Margaretha met Jérôme-Gaspard en bracht als bruidsschat de heerlijkheid Bouchout in202. Voor haar echtgenoot werd die heerlijkheid nog eens opnieuw verheven tot baronie (wanneer later Pierre-Ferdinand Roose ze kocht, verkreeg die in 1683 bevestiging van de baronstitel)203. Dit echtpaar had dus in Filip d'Assonleville en zijn vrouw Gilette des Pretz een gemeenschappelijk stel overgrootouders204!
    Christoffel d'Assonleville had de Beeldenstorm meegemaakt, in het hart van de (politieke) strijd; een ooggetuige (zij het niet te Mechelen), maar dit keer een vorstelijk ambtenaar. Heel die aangetrouwde familie bestond uit mensen uit de laagste adel (ridders) of zelfs maar vrije (grond)heren. Waar de hoge adel zijn bevoorrechte positie moest opgeven in de strijd tegen het vorstelijk absolutisme, was deze groep in volle opgang en ze klommen zelfs op tot baronnen, zodat ze in de provinciale raden konden zetelen. Het waren typische exponenten van deze onderlaag van de tweede stand, die nu de hoogste ambten kreeg op basis van hun rechtgelovigheid, trouw aan de vorst en bekwaamheid door studie. Een zekere inteelt was ook hen duidelijk niet vreemd. We mogen het niet letterlijk nepotisme noemen, want het was de koning die al die benoemingen deed, maar door met neven en nichten te trouwen, hielden ze het rekruteringsgroepje wél klein en bleef alle bezit ook binnen de clan.
    Van hem vernemen we – vergezeld van de opvatting van Renom en/of Christoffel – hoe het augustijnenklooster de dans ontsprong: “Aiant souvent ouy dire qu'à Malines trente à quarante personnes de nulle qualité exécutèrent le saccagement, au conspect d un magistrat fort estoffé205, et à la veue d'un Grand Conseil; encoires qu'un officier bien résolu suivy de douze personnes estoit bastant d'y pourveoir; veu que le Prieur206 des Augustins, avec une hallebarde rouillée, suivy de deux ou trois moisnes se présentant à la porte de son cloistre, leur feil si peur, qu'ils se retirèrent207”. In de briefwisseling van kardinaal de Granvelle vinden we eveneens dat de beeldenstormers bij het optrekken naar de poort om de stad te verlaten, nog een bezoekje wilden afleggen bij de augustijnen, wat gebeurde zonder veel schade aan te richten208. Voor de rest was Renom vrij karig met zijn inlichtingen over de Beeldenstorm, zich beperkend tot een opsomming van localiteiten (“Entretant se feit en Flandres le saccagement des églises , cloistres et monastères , commenciant en la chastelenie de Cassel , Bailloeuil , Estaires , chastelenie de Lille , Ypre , Gand , de là en Anvers , Bois-le-Duc et à l'exemple successivement ez autres lieux, à Tournay , Valenciennes , Malines , en provinces de Geldres. d'Hollande, Zelande et Frize, (...)209) en een algemene beschrijving van de “insolence et désordre”.

    Vlak na Renom achtte iemand anders het tijd om zijn eigen kroniek te publiceren, iemand van calvinistischen huize nu. We mogen immers niet vergeten dat de tijdgenoten die onze locale kronieken schreven, ook mensen waren die als goede katholieken niet geëxecuteerd of verbannen waren; je overtuiging kan je waarneming kleuren of de feiten anders duiden! We hebben het natuurlijk over Emanuel Van Meteren met zijn Historie der Nederlandscher ende haerder Na-buren Oorlogen. Hij is ook geen historicus te noemen, maar eerder een kroniekschrijver, iemand die zijn eigen tijd beschreef (voor welke liefhebberij hij zijn zaken zou verwaarloosd hebben) en materiaal aanbracht voor latere geschiedschrijvers. Voor het schrijven had hij blijkbaar even weinig stijl als eruditie, maar zijn materiaal hiervoor bestond wel uit aantekeningen van wat hij zelf meegemaakt had en wat anderen hem verteld hadden, plus wat hij verzameld had “uyt menichte van Boecken, Tractaten ende autentijcke gheschriften210. Het maakt niet zoveel uit, want over Mechelen weet hij ons niets nieuws te vertellen, in feite bijna letterlijk wat er bij Bor stond: “Terwijle dat dit t'Antwerpen ghebeurde in de Maendt van Augustus is diergelijcke afstorminge der Beelden elders oock toegekomen. Tot Mechelen hebben eenige ten Minrebroeders ende in seker ander Cloosteren sulcx oock begonnen , maer het werdt voorts belet.211

    Het is nu slechts vijftien jaar wachten op de Historia Belgica van Nicolas de Bourgogne (Burgundius). Deze Henegouwse rechtsgeleerde en historicus beschreef de eerste negen jaren van de opstand (vanaf 1588), waarbij hij zich uiteraard katholiek en koningsgezind toonde. We citeren: “Prima luce Mechliniam ex improviso adorti, mixta sibi oppidanorum colluvie, Franciscanos & Carmelitas exspoliant. peractoque scelere, Vilvordiam se proripiunt. Adventus tumultuantium latè terrorem dedít. Passim enim jactabant, postridie Bruxellam, atque inipsam adeò regiam agmen moturos , ad paria facinora.212

    Zeven jaar later publiceert kan. Aubertus Miræus213, een man met een grote wetenschappelijke belangstelling214 en nu nog vooral bekend door zijn oorkondenuitgaven, zijn Rerum Belgicarum chronicon, waaraan Buchelius zijn medewerking nog zou verleend hebben, toen nog omschreven als een uitgave van archiefstukken, aaneengeregen tot een kroniek van de Nederlandse geschiedenissen215. De "veelweter" en bibliothecaris B. Struvius216 omschreef het als “Multum in illustranda historia Belgica adlaboravit (...)217, maar het is ook niet meer dan een echte kroniek, jaar per jaar een feitje weergevend, eerst wat uitvoeriger tegen zijn eigen tijd aan. Hij geeft steden en provincies aan waar de Beeldenstorm woedde, maar ons Mechelen staat er niet tussen: “[in margine “1566”] (...). Hoc ipso anno mense Augusto Antuerpiæ, Siluæ-Ducis, Gandaui, Tornaci, Valentianis, in Gelria item, Hollandia, Zelandia, Frisia & alibi Calviniani templa Catholicorum violarunt ac spoliarunt. Idem antéa in agro Casletano, Ballioli, & ailibi in Flandria occidua sex nebulonum fecerat.218

    Weer zes jaar later (de Beeldenstorm is inmiddels al driekwart eeuw voorbij) verschijnt “Op-comste der Neder-lantsche Beroerten”. Wie de auteur is, wordt betwist: vroeger werd het werk toegeschreven aan de jezuïet Augustijn van Teylingen219, maar het zou eigenlijk van de Amsterdamse priester Antonius Schellingwou zijn220. Een katholieke stem uit het noorden dus. Voor hem waren de gebeurtenissen dan ook beestelijk en afgrijselijk: “Oock pleeghden sy met overgeve stoutigheydt ende beestelijcke on-geschicktheyd door gantsch Nederlandt A°. 1566. in den maendt meest van Augustus, d'affgrijsselijckste Beeld-stormerije ende Kerck-schenderije, daermen sijn leven van gehoort heeft. De woorde<n> I. Mach. 3. v. 51.221 brengen effen222 het voorseyde jaer uyt.223

    Het stadsarchief bewaart nog een kroniek uit diezelfde tijd (hij loopt toch van 694 tot 1646), zonder titel of auteur, maar wat details betreft, is die al even waardeloos. De schrijver vermeldt dat de beeldstormers te werk gingen in St.-Omaars, Ieper, Dowaai, Seclin, bijna in heel Vlaanderen; tussen wat meer over Antwerpen en de dreiging dat Brussel zou geplunderd worden, staat er slechts: “dese beldtstormerije is heel Nederlandt bijnae door geweest behalven tot Namen ende Lutsenborgh224.

    Een voorlopig laatste handschrift is de “Historie van Mechelen” (712-1665) door ene Dominicus Vrindts. Hij vond zijn eigen werk vernuftig genoeg om op het achterste blad dit wat rammelend rijmpje neer te pennen: “Ghij leser die wilt sijn vernuft, / Ende aude feijten wel weten, / Door leest desen boeck met grooten lust / Want hier staender in veel secreten        1657 / Dominicus Vrindts / Wonder dinghen van aude tijden / Ist dat ghij leest soo suldij vinden / En int lesen sult u verblijden / Want tzijn van princen die doenden”. We vermoeden dat het een Mechelse kousenmaker uit de O.L.Vrouweparochie was, begin 1637 (ondertrouw 19 januari) getrouwd met Catharina Daneels225. Zijn zoon had dezelfde voornaam, maar die leefde van 1644226 tot 1698227 en was in 1657 dus nog maar 13 jaar oud (diens zoon Dominicus – met de onze als peter – werd eerst in 1667 geboren228). Van vader konden we geen doop- of begrafenisdatum terugvinden, maar zijn vrouw werd op 14 maart 1678 in de O.L.Vrouwekerk begraven met het “kaus makers Ambacht229. Ook Maria Vasseur, de eerste vrouw van zijn zoon Dominicus, werd daar op 2 augustus 1680 begraven met het “kaus makers Amb<acht>230. Wat hij ons weet te melden, komt overduidelijk uit de kroniek van Cornelis Vermeulen: “Int jaer 1566. op sincte Bertolomeus avont soo worden tot Mechelen de belden ontstucken geslagen, Jaspar Zul ende Gedeon die stondent en saeghen, en hadde naer den roep van meest al de lieden dat zij Capiteijns daer af waren ende dat sij daer van heten ende ghebieden hadden231. Toen hij trouwde, was de Tachtigjarige Oorlog nog bezig. In 1648 had de Vrede van Münster er een einde aan gemaakt. Misschien had hij na een aantal jaren vrede – en als rustige vijftiger (zijn laatste kind was in 1661 geboren232) – geoordeeld dat het veilig was om het verleden te gaan samenvatten.

    Weer dertig jaar na de Op-comste laat de rechtsgeleerde Hubertus Loyens zijn Brevis et succincta synopsis drukken, maar veel meer dan dat de fransciscanen en karmelieten beroofd werden, weet hij ook al niet te vertellen: “Primâ luce Mechliniam ex improviso adorti, mixtâ sibi oppidanorum colluvie, Franciscanos & Carmelitas exspoliant, peractoque scelere Vilvordiam se propriunt, passimque jactant, postridie se Bruxellam agmen admoturos, omnesque omninò Monaches et Sacerdotes, cum Ministris regiis statuisse conficere.233” Waar hebben we dit trouwens nog gehoord? Op de laatste woorden na, is dit letterlijk wat Burgundius 43 jaar eerder schreef!

    Wat dichter bij huis woonde Remmerus Valerius (Remigius Wauters of Wouters, 1607-1687)234, pastoor van Muizen, die in zijn Chronycke van Mechelen slechts algemeen bleef235: “1566 Worden tot Mechelen op S. Bertholomeus dagh de Belden afgeworpen door de geusen”. Hij was de laatste auteur van belang voor de zeventiende eeuw, waarna we een halve eeuw zullen moeten wachten op de voorlopers van de moderne geschiedschrijving.


    We moeten nu even het gedrukte relaas onderbreken met de inhoud van twee nooit uitgegeven kronieken. De eerste is de “Chronyk ende beschryvinge vande geschiedenissen voorgevallen in ende ontrent de stadt Mechelen”, eind zeventiende eeuw opgesteld door jonker Daniel Frans Cuypers de Rijmenam (1653-1725)236. Deze edelman, heer van Rijmenam, studeerde rechten, werd advocaat bij de Grote Raad en schepen, stadsgriffier en charterbewaarder van Mechelen; hij was tevens hoofd van de rederijkerskamer De Peoene237. Als charterbewaarder was hij een voorloper van de hedendaagse stadsarchivarissen en hij schreef in zijn kroniek veel documenten over. Over de beeldenstorm verzamelde hij: “Den dryentwintichsten augusti 1566 wierden te Mechelen de beelden in stucken gehouden van welcke Beeltstormers (gelijck de spraecke ginck) waeren Jaspar Sul ende Gedeon Capiteyns. / Inde selve maendt wierden de beelden tot de Paters Minderbroeders aen stucken geslaeghen.238” Het is een bewerking van het stukje dat Cornelis Vermeulen schreef.

naar boven    Een tweede onuitgegeven kroniek is de Chronyke van Mechelen239 van Rumoldus Gootens (1684-1748). Op een vooraan ingeplakt papiertje staat te lezen: “Deze Chronyke is geschreven door Rumoldus Gootens, zone van Joannes ende van Anna-Maria Estricx; kleyn-zone van Cornelius Gootens en van Catharina van Thielen. Ziet voorts Table généalogique de la famille de Schooff; par Mr. de Azevedo. pag 25240”]. De inventaris geeft op dat hij te Mechelen geboren werd op 6 februari 1684 en hier ook overleed op 8 maart 1748241. Dat blijken echter de datums van zijn doop242 en begrafenis243 te zijn. Kan. David, die het halverwege de negentiende eeuw nog geraadpleegd had, noteerde in zijn bronnenopgave: “Handschrift toebehoorende aen den Weledelen heere De Crane d'Heysselaer, te Mechelen244. Toen het op het stadsarchief geraakt was, zou nog een tweede deel berust hebben in de bibliotheek van dhr. de Vrière-Neeffs. Zijn relaas over de Beeldenstorm moet dus ongeveer anderhalve eeuw na datum geschreven zijn. Is het allemaal juist? Waar heeft hij het gehaald? Hij besteedt zeven bladzijden aan de “beldt stormerije tot mechelen”, al gaat het niet allemaal over de wandaden zelf. Hij vangt aan met een brief van de landvoogdes aan de aartsbisschop d.d. 13/07/1566 om alle punten van het Concilie van Trente te doen onderhouden en een andere aan de Grote Raad om alle plakkaten tegen de ketterijen te doen naleven, net als de ordonnanties van Trente en de inquisiteurs alle hulp te verlenen245. Maar ... We laten hem zelf nu aan het woord met een interessant inleidend stuk: “Dan niet tegenstaende de voors<seijde> gouvernante alle precautie door brieven hadde willen nemen om mechelen te verhoeden van den overlast der ketterijen, soo en wierden de voors<seijde> placcaerten van den Coninck bij de regeringe niet gepubliceert nochte ter executie gestelt ter oorsaecke den actuelen gouverneur den heere . . . . . . grave van hooghstraten daer tegen was gelijck hij dede blijcken in den raede van staeten tot brussel al waer hij tegens de voors<seijde> gouvernante opstont ende veele saecken seijde met meerder vrijheijdt dan 't betaemde, ende dat sij hem ende den prins van oraegien vermaende dat sijli niet endeden gelijck sij behoorden, het gene de goede mannen die daer oock present waeren het seggen van den grave qualijck naemen, om dat hij nochtans sijnde seer Catholijck volghden den raedt van den prince van oraengien. Daer dede oock veel beletsel eenen pensionaris van 't magistraet ende twee advocaten die met de ketterijen besmet waeren, den grooten raedt ten opsighte van dit gouvernement saegen de saecken aen. De goede geestelijckheijdt ende alle de notabele borgers deden daegelijckx aen hun groote klachten dat de ketters met hunne ministers allen daegen in de stadt geslopen quaemen ende hun niet en vermeyde te predicken soo binnen als buijten de stadt ende het gemeijn volck daer door oproerigh te maeken tegens de geestelijcke met de aldergrootste injurieuse ende afgrijselijcke blaspemie; op al het welcke maer geordonneert en wierdt mits soo sij seijde den voors<eijden> gouverneur tot Brussel was, dat de voors<eijde> ministers ende hun volck sigh soude stilhouden op pene van straffe, maer dit conde niet helpen, gelijck oock niet en conde helpen de predicatie van de geestelijcke besonderlijck die lievevrouwe broeders ende minderbroeders die hunne ministers genoechsaem verdedighden, doch 's was maer olie int vier gegoten, want daer men deftich keijft ende geenen scheijts man tusschen bijde compt, is 't geen wonder dat partijen tot vechten vervallen.246
    Bij wijze van uitzondering hebben we hier dus een stukje van de aanloop laten weergeven, omdat de inhoud uniek is: hij geeft de graaf van Hoogstraten al aan als gouverneur van Mechelen vóór de Beeldenstorm en de lieve-vrouwe-broeders en minderbroeders als predikers die hun ministers (leiders, bestuurders247) verdedigden. Geeft hij hier een extra oorzaak aan voor de aanval op hun kerken? Toch moeten we oppassen voor een anachronistische redenering: in de zeventiende eeuw zijn er vele soorten mannelijke religieuzen in Mechelen, maar in 1566 waren er binnen de muren maar drie soorten paters: de minderbroeders, de lieve-vrouwe-broeders en de augustijnen248. Dat “slechts” die geviseerd werden, is omdat er gewoon niet meer waren! Ook voor Antoon II van Lalaing is geen eerdere aanstelling bekend. Zijn vader, een oom, grootvader en oudoom waren landvoogden geweest, maar hij was nog jong (33)249. De graaf van Horne was stadhouder geweest van Gelre en Zutphen van 1555 tot 1560, de graaf van Egmont was in 1566 reeds stadhouder van Vlaanderen en Artesië (sedert 1559) en Oranje was stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht en Franche-Comté sedert 1559. Het waren nu nieuwe aanstellingen om de beeldenstormers te bestraffen250. Een militair gouverneur (een kapitein, troepenbevelhebber) van een stad was trouwens niet hetzelfde als een stadhouder (plaatsvervanger van de vorst) van een provincie. Zo zou de graaf van Hoogstraten de prins van Oranje vervangen als militair gouverneur van Antwerpen, omdat de aanwezigheid van deze laatste vereist was in zijn staten251. Het is wél zo dat al op 11 juni Ph. Van der Aa door de stadsmagistraat naar Brussel gestuurd was om met de graaf van gedachten te wisselen252. Kort daarop werd hij trouwens zelf te Mechelen vervangen door Robert de Sepmeries, heer van Trazegnies, een getrouw dienaar van de landvoogdes253.
    Hij vervolgt met een unieke beschrijving van de Beeldenstorm ook: “
t is gebeurt op den 23 dagh Augusti 1566. wesende st.
e bartholomeus dagh naer den noen dat den ketterschen minister smets (: niet tegenstaende de interdictie van den grooten raedt :) stont en preckte op de veemerckt omrinckt van eenen grooten hoop canaille gewaepent met stocken, beijlen, pijcken, sweerden en roeren254, die versterckt waeren van eenen hoop de gene smorgens in de stadt gecomen waeren van het beldtstormen van antwerpen, aen de welcke hij uijtbrachten dat de beelden maer afgoden waeren ende datse ketterijen dede die de selve eerden, ende dat hij met andere goede lieden (: soo noemde hij sijn mede mackers :) aen de magistraet versoecht hadde eene kercke ofte ander bequaeme plaetse om te predicken; maer hem afgeslaegen was met meer andere oproerige woorde; waer op die voors. kettersche canille roepende vive les geux als verwoedende en raesende honden gevallen sijn in de kercke van de paters lieve vrouwen broeders en smeten alle de belden, schilderijen, bancken en stoelen, ornamenten van de altaeren ende al wat sij conde kreijgen in stucken, braeken alle de deuren open, ende doorliepen het clooster en stolen alle dat sij draegen conde, maer het silver wercke goude coppen255, ciborien256 en kelcken waeren te vooren bij die paeters verborgen; Van daer liepen sij naer de kercke van de paters minderbroeders en smetent oock alle in stucken, maer tusschen beijde waeren eenige paters naer den deelkant geloopen aen de kraene brugge daer veele schippers bij een stonden ende geroepen hebbende goede catholiecke mannen staet ons nu bij in den naem van godt, quamen sij alle met haesten ende met alle waepenen ende geweir dat sij conde becomen roepende oock alle hun bootsvolck uijt de schepen met haecken en welstocken257, soo de achter poorte van 't clooster binnen en sette alle de deuren open en sloegen de kettersche canaille uijt het clooster ende kercke en packte die dieven af alle 't gene sij meijnde te stelen, ende jaeghden eenen grooten hoop uijt de stadt, dan dit gespuijs buijten de stadt ende bedwanck sijnde hebben de cloosters ende kerkcken buijten de stadt geheel geplundert ende eenige verbrandt, tusschen bijde dede den grooten raede de vijf gulden met alle de borgerijen in de waepen comen en besette de stadt van alle zeijde, ende schreven den dagh daer naer aen de hertoginnen gouvernante desen volgende brief.258
    Zijn verhaal is merkwaardig. Volgens hem zouden eerst de lieve-vrouwe-broeders aangevallen zijn i.p.v. eerst de minderbroeders en de schippers zouden de ketters uit het minderbroedersklooster en -kerk verjaagd hebben i.p.v. dat ze de O.L.Vrouwekerk verdedigd hadden, waar ze hun altaar hadden en waar die “Dijlekant” toch ook dichterbij was! Zij hebben de bende trouwens ook niet uit de stad verjaagd of geleid. Zijn woordkeuzes maken duidelijk dat hij een overtuigd katholiek is, maar dat kon ook moeilijk anders toen. Wat de inhoud betreft, lijken we hier eerder te maken te hebben met een romantische bewerking dan een weergave van de strikte feiten. Waar zou hij deze verdraaiing gehaald hebben? Op de volgende bladzijden krijgen we dan de briefwisseling tussen de Grote Raad en landvoogdes Margaretha van Parma over het sturen van
Antoon II van Lalaing, derde graaf van Hoogstraten, zijn maatregelen en nog verdere brieven en uitleg over de jaren 1567 en '68, maar dat gaan we nu niet meer weergeven. Interessant is wél hoe hij aangeeft dat de weigering om hun een kerk voor hun prediking af te staan, de oorzaak zou geweest zijn voor het begin van de oproer. Volgens Enno van Gelder was ook in het algemeen het uitbreken van de Beeldenstorm een gevolg van de de weigering door de landvoogdes om de Calvinisten te laten prediken in de kerken van de steden259.

    Of hij zijn kroniek nu schreef iets vóór of na de tijd dat kanunnik C. Van Gestel260 zijn kronieken (primitief wetenschappelijk werk, een verzameling feiten, maar wel voor 't eerst opgezocht en neergeschreven) neerpende, van deze zal hij zeker niets kunnen afschrijven hebben. In zijn““Historia sacra et profana (...)” uit 1725 (een jaar voor hij kanunnik werd in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, toen nog pastoor van Westrem) schreef hij alleen bij de “Fratres minores Ord. S. Francisci”: “Ecclesia hujus Conventus satis Elegans, Hæreticorum furore Binis vicibus vastata est Ao. 1566. & Ao. 1580. quo in solidum solo æquata est.261 Dat was dan in zijn Historia van het aartsbisdom dat hij schreef dat het Mechelse minderbroedersklooster bij twee gelegenheden verwoest werd262 (de tweede keer zelfs tot op de grond afgebroken), maar in zijn handschriftelijke “Chronyck van Mechelen van 1500 tot 1743” – waar we dus meer over onze stad zouden verwachten – beperkt hij zich tot het regeltje “Les Calvinistes saccagent et violent les Eglises en Brab<ant> Fland<re> Gueld<re>.263

    In 1743, een tijd waarin men de bronnen begint uit te geven en de kronieken te vergelijken, publiceerde kanunnik C. P. Hoynck Van Papendrecht264, de Mechelse aartspriester, zijn Vita Viglii, over het leven van de katholieke rechtsgeleerde en staatsman Wigle van Aytta van Zwichem265. Het is de 29ste brief266 van deze laatste267 aan ridder Joachim Hoppers268, Filips II zijn adviseur269 voor de zaken der Nederlanden, die ons interesseert (of liever wat onze kanunnik erbij noteerde). In de brief stond slechts: “Est & huc captivus adductus M. Jacobus van Einde Advocatus Hollandiæ, Pensionariique Versteel , & Van Canne Mechliniensis. Varronsiusque Namurensis quæstionibus subjectus.270” Over die twee Mechelse pensionarissen had hij tot op dat moment nergens iets kunnen vinden en ook bij de Mechelse specialisten was er niets over bekend (“hactenus nullibi a me reperiri potuit, & rerum Mechlinensium peritis non innotuit”), behalve in de volgende regeltjes uit een handschrift (niet bij naam of datum genoemd271) dat Cornelius van Gestel272, kanunnik van O.L.Vrouw-over-de-Dijle toen bezat: “Anno 1566. Alhoewel de borgers van Mechelen de Catholike religie seer waeren toegedaan, nochtans sy hadden eenen Pensionaris, ende een oft twee advocaeten die bedorven waeren. Op Ste Bartholomæus dagh hebben dese, met andere sielen de Vrouwen-broeders en Minderbroeders Cloosters berooft, ende aldaer in de Kercken de beelden afgeslaeghen ende gebroken. Voorts buyten de Stadt loopende hebben d'omligghende Cloosters en Kercken berooft, ende de beelden aldaer oock afgesmeten. Den laesten Augusti in 't selve jaer isser eenen van die beeltstormers tot Mechelen op-gehanghen, en eenighe opperhoofden van die factie syn gevanghen geweest. Waer over den 5 October gevolght is eenen oproer van die selve factie, ende sy wilde met gewelt de voor-schreve gevanghene los-gelaten hebben: maer den Graeve van Hoogstraeten, die alsdan Gouverneur tot Mechelen was, heeft den oproer gestilt. Anno 1567. heeft den Hertog van Alba, eenige van die gevanghene, dew. handtdaedigh waeren geweest in het berooven der Kercke van de Minderbroeders en Vrouwenbroeders, als oock in de beeldtstormerye van 't voorlede jaer, van Mechelen doen vervoeren naer Brussel, alwaer sy daer naer gehanghen zyn geweest.” In een andere handschriftelijke kroniek bij kan. van Gestel had hij nog gevonden: “In het jaer 1567. op den tweeden dagh van Meert werden te Mechelen beyde de Pensionarissen gevangen, ende werden terstonts naer Brussel gevoert, ende saeten aldaer gevanghen tot in het jaer 1570. op Sinxen-avont den 14 dagh Mey.” Het eerste lijkt ons gebaseerd te zijn op van Isselt. Het laatste komt woordelijk overeen met de zin in de 't begin reeds genoemde kroniek van tijdgenoot Cornelis Vermeulen, waar het verhaal van deze gevangenneming (en executies van anderen) al identiek zo stond en van wie Hendrik vanden Coelput het duidelijk ook afgeschreven heeft (zijn bewoordingen wijken een klein beetje af). De kroniek die Hoynck van Papendrecht raadpleegde, bevatte echter een kopieerfoutje (tenzij deze laatste het zelf verkeerd overschreef), want in de originele tekst stond “op den 12 meert” (en in de kroniek van vanden Coelput “op den 12 dagh Meert”). Dit bewijst dat het ook bij kronieken belangrijk is om “terug naar de bron” te gaan, t.t.z. de originele te vinden. 2 maart 1567 viel op een zondag en het lijkt ons onwaarschijnlijk dat er toen gewerkt werd.

    Het eerste stuk lezen we bijna identiek, maar dan in het Latijn, in het handschrift – verder was zijn Mechelse kroniek nooit geraakt – van kan. Jan Frans Foppens (1689-1761)273, Mechlinia Christo nascens et crescens274: (in margine: “Expoliatio prima templorum FF. Minorum et Carmelitarum”) “1566. die 29 Augusti Audaciores redditi Calvinistae (...275). / Mechlinia Religionis Catholicae perquam studiosos cives plerosque habebat: verum quod unum haberet atque alterum male-sanum Pensionarium (hi erant Joannes Van-der-Cammen, et Petrus Wasteels,) Advocatum item malae fidei unum et alterum, eam tempestatem ita effugere non potuit, quin pauci nebulones sint inventi, qui FF. Carmelitis et Franciscanis palam vim facerent, eorumque Monasterium Templa diriperent. Inde urbe digressi (plura ibi non ausi) in vicina urbi Monasteria pro arbitrio debachati. Acta sunt haec festo die S. Bartholomaei.” Het is bijna letterlijk, alleen de woorden wat dooreen gehaspeld, overgenomen van M. van Isselt. Elders verhaalt hij dan het volgende stukje, waarbij hij in de marge vermeldde “Eccl<es>ia B.M. per cives conservata” (ofwel had hij dus ook de paskwil gelezen – wat ons niet erg waarschijnlijk lijkt, vermits hij er geen details uit geeft – ofwel had hij dat over de schippers276 uit de Abrégé Chronologique van Azevedo nog gehaald [gepubliceerd in 1753 en Foppens overleed in 1761], naast waarschijnlijk eveneens de kroniek van Vermeulen, de klassieke bronnen dus277) om het ernaast breedvoeriger uit te leggen: “Tentaverant insuper hi nebulones parochialem Ecclesiam B.M. trans Diliam infringere: sed cives de opificiis piscatorum ac nautarum armatâ manu fortissimè pro domo Dei restiterunt. Antesignani sectariorum erant Capitaneus Suls vir nobilis et alter nomine Gedeon, armorum pugil:(vernaculi scherm-meester.) / Die 30 augusti unus de supradictis Iconoclastis Mechliniae è patibulo suspenditur: et alii quidam factiosorum duces in carcerem conjiciuntur.” Hij voegde er nog een laatste paragraafje aan toe over de bevrijdingspoging, maar vond het belangrijker om in de marge de brutaliteit te vermelden (zonder enige bronverwijzing) van de dan toch maar aan de calvinisten afgestane St.-Jacobskapel (“Sacellum S. Jacobi concessum sectariis”): “Die 5 Octobris Tumultum excitant sectarii, tentantes consodales suos vi liberare a vinculis: sed Gubernator Comes Hooghstratanus sua prudentiâ plebeculae petulantiam dissipavit. Neque tamen impedire potuit, quo minus factiosis istis ad praedicandum concedi debuerit Sacellum S. Jacobi ad portam Bruxellensem. Duravit hujusmodi insolentia, usque in diem 22 Augusti 1567. quo Ferdinandus Dux Albanus cum Hispano milite Bruxellas advenit.

    In hetzelfde jaar verscheen in Leiden de eerste uitgave278 (exact een eeuw later een tweede in Antwerpen279) van het zgn. Antwerpsch chronykje. Van dit handschrift wordt beweerd dat het zestiende-eeuws zou zijn, maar niemand weet met zekerheid wie er achter de initialen F. G. V. schuilgaat. Het zou de Kempenaar Frans Gerard van Loon kunnen zijn of F. G. Verhoeven of Fr. G. Ullens of Frater G. Verstock280. Deze laatste281 werd eerst in 1614 geboren in Antwerpen en werd monnik in de cisterciënzerabdij van St.-Bernardus aan de Schelde, in Hemiksem (✝ 1683). We kunnen het dan ook bezwaarlijk nog een ooggetuige of tijdgenoot noemen en bij gebrek aan een duidelijker datering, hebben we het chronologisch maar geplaatst op het jaar van de eerste uitgave ervan in druk. Van een overweldigend belang is het trouwens niet, want F.G.V. weet over onze thuisstad alleen maar te zeggen: (uitgave 1743, p. 83) “MECHELEN. / Den twee en twintigste Oost naer myn bediet / is 't selve sommige Kercken tot Mechelen geschiet.” of (uitgave 1843, p. 83) “MECHELEN / Den 22 oogst is tselver, naer myn bediet, / Sommige kercken binnen Mechelen geschiet.” Een mooi rijmpje, maar die “sommige” maken ons niet bepaald veel wijzer. De versie uit de uitgave van 1743 vinden we ook terug bij pater Bernardus De Jonghe in zijn Gendtsche geschiedenissen282 van 1746, zijn kroniek van de beroerten en beeldstormerij283. Meer weet deze over Mechelen niet te melden.

    We naderen nu het laatste kwart van de achttiende eeuw, met de laatste verteller ervan: kanunnik Geeraard Dominicus de Azevedo Countinho y Bernal, proost van het kapittel van O.-L.-Vrouw-over-de-Dijle284. In 1770 publiceerde hij een vertaling (“Deductie ende relaes (...)” van de eerder vermelde “Deduction et narration de l'estat et conduite de la ville (...)” uit 1567285, plus zijn Vervolgh der chronycke van Mechelen286, waarin hij, diverse voorgangers citerend (het pamflet van “de Pape”, de handschriftelijke kronieken van Vermeulen en van de kloosters van Bethanië en Blijdenberg, plus de boeken van Burgundus, Loyens, Surius, Vander Haer en Heuterus), vertelt hoe er gebroken en geplunderd werd bij de minderbroeders, de geschoeide karmelieten, het klooster van Hanswijk en de omliggende kerken; weer verwijzend naar het handschrift van “de Pape” uit 1567, hoe de oproerige geuzen de Mechelse burgers trachtten te doen geloven dat er wel 6000 voor de stad waren om die in te nemen, tenzij men hen de beelden in de kerken liet afslagen. Men zei dat Gaspar Suls, schermmeester Gedeon en een zekere Eenooghe de “oproerders” ervan waren. De burgers moesten die volgens Eenooghe maar laten doen en zich alleen verweren als ze hun huizen wilden komen plunderen. We krijgen dan te horen hoe de schout de burgers had bewapend om St.-Romboutskerk te beschermen, het schippersambacht de O.L.Vrouwekerk bewaarde (iets wat hij al in 1753 geschreven had: “L'An 1566. fut cette Eglise sauvé de la furie des Iconoclastes par le zéle à jamais mémorable des Bateliers de Malines qui défendirent cette Eglise des insultes & sacrileges que les Ennemis de la foy Catholique y auroient commis.”287) en de gilden, op bevel van de magistraat, de wacht hielden op hun respectieve kamers. Verder is het een bijna romantisch, beeldend verhaal van grote angst en een beetje moed: “Den Schouteth Le Clerck de Boevekercke was goet Catholijck en dede de Catholijcke Borgers den hoedt op steken om S. Rombouts kercke te bewaeren. De Beldtstormers komende by de Minderbroeders , de welck niet en wisten wat aenvangen, seyden wildy onse handen ontgaen, leght u ter aerden ende roept 'vive les Gueux'. (...) Die van het Schippers Ambacht bewaerden de kercke van Onse Lieve Vrouwe over de Deyle , soo dat alsdan de Beldtstormers daer niet in quamen , (...) Men seyde hier na van die van Mechelen dat als Marten van Rossum ten jaere 1542 voor Mechelen quam, sy niet bevreest en waren voor sesthien duysent mannen, maer deden hun sluysen trecken &c. , ende dat sy nu vreesden voor eenen hoop sielen.
  
Ten tyde dat de Beelden in de kercken in stucken geslaegen wirden, hielden de Borgers de wacht by order van het Magistraet op haere respective Camers , ende hier naer wirden groote haecken288 en ander geweir in staet gestelt tot de gemeyne defensien.”. Hierop volgt nog het verzoek van de Grote Raad om de graaf van Hoogstraten te sturen (zij wilden ook een principaal personage met autoriteit als kapitein van de stad, want het gerucht deed de ronde dat die van Brussel ook een principale heer als chef gekregen hadden), diens aankomst, etc. Dat staat ook elders beschreven, maar daarover hebben we het in dit overzicht expliciet niet willen hebben. Het was ons slechts te doen om de juiste feiten van de plunderingen en vernielingen zelf, voor zover die in de literatuur voorkomen. We willen wel het begin van deze paragraaf even aanhalen om iets duidelijk te maken:
Den volgenden dagh op den 14 Augusti synde Saterdagh ende Feestdagh van den H. Apostel Bartholomeus , heeft den President en de Raedtsheeren van den grooten Raede des Conincks binnen Mechelen eenen brief gesonden aen de Hertoginne Gouvernante (...).” De feiten hadden zich binnen de muren inderdaad voorgedaan op St.-Bartholomeusavond en niet op diens feestdag zelf zoals Valerius en Gootens beweren (toen waren ze buiten de muren stevig aan het huishouden), maar dat waren vrijdag en zaterdag 23 en 24 augustus, niet 13 en 14! Sint-Bartholomeusnacht (23 op 24 augustus) is anders goed bekend: in 1572 vond toen de Parijse “bloedbruiloft” plaats, het begin van de slachting onder de hugenoten289. Azevedo schrijft ook nog dat de vrouwelijke religieuzen van de kloosters buiten de stadspoorten binnen de stad gevlucht waren na bericht van de beeldenstorm te Antwerpen en haalt daarvoor de “memorienvan de kloosters van Blijdenberg, Thabor en Bethanië aan. Azevedo was een ijverig lezer die bibliotheken en archieven doorploegde en een goed compilator, maar hij mist zin voor kritiek (het wegen van zijn informatie op oorspronkelijkheid, bijbedoelingen, ...) en las ook niet alles even goed (bijvoorbeeld: in de paskwil van 1567 staat dat de burgers de hand opstaken, niet dat de schout ze de hoed deed opsteken; tenzij hij ook maar een onvolledig afschrift ervan vond, waarop de spellingsvarianten zouden kunnen wijzen). Zijn verwijzingen zijn ook niet altijd correct, want het versje met “naer myn bediet” komt niet uit het vlugschrift van “de Pape”, maar uit het Antwerpsch chronykje (plus overgenomen in de Gendtsche geschiedenissen van De Jonghe). Azevedo wordt veel geciteerd (dat is gemakkelijk natuurlijk en kopiëren en plakken is tegenwoordig een veel beoefende hobby), maar het blijkt dus gevaarlijk om alles zomaar klakkeloos van hem over te nemen. Een kritisch onderzoeker gaat terug naar de bron! Toch nam hij ijverig nota's, mét bronverwijzingen, zoals blijkt uit een verzameling handschriften; hieruit kunnen we trouwens afleiden waar hij de verzen van “de Pape” (Pasquil van Roome) raadpleegde: “volgens seker rijmken het welck ick in sekere cronijcke gesien heb toebehoorende den vermaerden uytnemenden schilder ende seer geleerden liefhebber der outheden N. Smeijers 290”. Een slecht afschrift hier zou de fouten van onze kanunnik kunnen verklaren.

naar boven   In de negentiende eeuw vulde de lakenhandelaar Frans Schellens (1809-1855) twaalf dikke schriften met zijn “Mechelsche chronycke”. Voor het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw mag zijn kroniek dan – als tijdgenoot – belangrijk zijn291, voor onze doening krijgen we maar een kopie van baron de Saint-Genois zijn artikel “Notice sur les confiscations (...)” (dat we in een eindnoot bij Pontus Payen vermeldden), met toevoeging van de bronvermelding van Antoine Van den Berghe zijn afrekening en dan zijn eigen “Analyse d'un precieux document historique”, zijnde hetzelfde in zijn eigen woorden292.

    Kan. David293, hoogleraar geschiedenis en letteren aan de Katholieke Universiteit van Leuven, die de verdediging van de Nederlandse moedertaal op zich genomen had, beschouwde als priester uiteraard gebeurtenissen en personages vanuit een katholiek standpunt294. In zijn standaardwerk295 over Mechelen deed hij echter niet veel meer dan Azevedo citeren, met de ondertussen bekende feiten: in de kerk van de minderbroeders werden de heiligenbeelden stukgeslagen, de kerk van de karmelieten werd ook onteerd, het klooster van Hanswijk (buiten de muren) werd geplunderd en verwoest, de O.L.Vrouwekerk werd gered door de waakzaamheid van het schippersambacht en de schout wapende de burgers om St.-Romboutskerk te beschermen.

    De veel geraadpleegde, maar partijdige Amerikaanse historicus John Lothrop Motly296 wijdde in The Rise of the Dutch Republic uit 1856 slechts één zinnetje aan Mechelen (“Te Mechelen was het een zeventig of tachtig tal personen , die het gansche werk verrigtten ten aanschouwe van den grooten raad en van de ontzette overheid.297”), met verwijzing naar Pontus Payen en (toch kritisch het verschil aangevend) Renom de France (“PONTUS PAYEN, MS. Volgens RENOM DE FRANCE waren er niet meer dan dertig of veertig "personnes de nulle qualité." MS. I. c. 20.298).

    Willem J. F. Nuyens299, een katholiek geneesheer en vrijetijdshistoricus, die in een wat apologetische stijl voor de katholieken toegankelijke literatuur wilde schrijven voor wat hun eigen plek in de Nederlandse geschiedenis betrof, zich afzettend tegen de protestantse geschiedschrijvers Willem Groen van Prinsterer300 en de wat onpartijdiger Robert Fruin301, vatte het in 1865 als volgt samen: “In Mechelen, eene van die steden, waar men het meest aan de oude Kerk gehecht bleef, vernielden zestig of tachtig onverlaten op klaarlichten dag alle beelden en sieraden in het klooster der Franciskanen. Dit geschiedde om zoo te zeggen onder het oog van den hoogen raad, die te Mechelen zetelde, van de overheid en van zes duizend Katholieken. Nadat de beeldstormers hun werk verricht hadden, trokken zij in volle gerustheid af naar hunne woningen. De hooge raad liet er echter later eenige vatten en opknoopen.302” We herkennen er het stukje uit de memoires van Pontus Payen in.

    Het was nog niet echt de tijd voor nieuwe studies. Na alle revoluties was men aan het verzamelen en inventariseren wat er aan teksten bestond. De ”Jaarboeken van Mechelen” (1549-1672) van dhr. Van Doren (aldus de inventaris; stadsarchivaris Pieter-Jozef Van Doren303 vermoeden we, het handschrift lijkt ook negentiende-eeuws) verwees voor 22-23 augustus 1566 slechts naar Azevedo en voegde voor de 23ste nog een verwijzing toe naar de paskwil die bij Gijseleers-Thys stond304.

    Pastoor Baeten, historiograaf van zijn O.L.Vrouwekerk305, heeft ook maar herhaald dat deze kerk aan de “aanslag” van 1566 ontkwam door de waakzaamheid van het schippersambacht en St.-Romboutskerk beschermd werd door de schout die de burgers bewapend had, terwijl bij de minderbroeders de heiligenbeelden aan stukken geslagen werden, de kerk der karmelieten insgelijks onteerd werd en een andere bende het klooster van Hanswijk buiten de Leuvense poort uitplunderde en verwoestte306. In andere deelartikeltjes vertelt hij nog eens het gekende, allicht allemaal bij Azevedo gehaald: hoe de O.L.Vrouwekerk ontkwam aan deze eerste rovende aanslag door de moed van de schippers die er hun altaar hadden307, bij de Minderbroeders de kerk onteerd werd en de beelden aan stukken geslagen308, de nonnen van Blijdenberg op 5 oktober, bij hun terugkeer van de vlucht, al hun beelden en altaren verbroken vonden309, de nonnen van Bethanië bij hun terugkeer “alles op de droevigste wijze verbroken, geschonden en verwoest zagen310 en “de kerk en het klooster van Hanswijck door de beeldstormers geplunderd” werd311. De artikelenreeks moet zeker gezien worden in het licht van de politieke strijd die deze katholieke krant312 toen voerde tegen de liberale “geuzen”, met welke bewoordingen ze vol staat313.

naar boven    Hierna is het wachten tot WOII, wanneer Eugeen Van Autenboer zijn nooit volledig gepubliceerde eindverhandelingen over dit onderwerp (het Wonderjaar) voorlegt, voor de graad van licentiaat in 1941314 en onder dezelfde titel twee jaar later voor die van doctor in de geschiedenis. Dit zijn uiteraard geen kronieken meer en hij onderzocht ook andere bronnen dan kronieken, om o.a. tot de vaststelling te komen dat de schade blijkbaar het grootst was bij de minderbroeders en in het klooster van Hanswijk; bij de karmelieten bleek dit slechts te zijn aan het groot altaar en en aan de plaats waar het sacrament rustte; over de schade bij de bogaarden kon hij niets ontdekken315. Men vindt hier verder de verwijzingen naar de berichten over het breken der beelden in de abdij van Roozendaal te Walem, de plunderingen en vernietigingen in het klooster van Muizen en de priorij van Leliëndaal en hoe in 1567 de schade al hersteld was in de kloosters van Muizen, Thabor, Bethanië en het Groot Begijnhof316
    Tussen beide verhandelingen in, schreef hij nog een artikeltje over drie figuren van dit Wonderjaar (schermmeester Gedeon, kleermaker Jan Vermelen en jonker Jaspar Suls), waaruit we leren dat schermmeester Gedeon bij de minderbroeders was toen de beelden er werden stukgeslagen317. Enkele jaren na de oorlog verschijnen er dan twee artikels. Het eerste gaat over de bekende karmeliet Petrus De Wolf.
Met verwijzing naar zijn doctoraat in handschrift uit 1943, vertelt hij hier hoe het klooster der minderbroeders het moest ontgelden, hoe ze vandaar naar de clarissen trokken waar geen noemenswaardige schade werd aangericht omdat er te drinken gegeven werd en dan de tocht vervolgd werd naar de bogaarden en karmelieten waar ook de glazen gevuld werden en ze psalmen mochten zingen; toch stormden ze daar de kerk binnen en vernielden het altaar en de rustplaats van het H. Sacrament; door de stadspoorten te openen kon de overheid de woelmakers uit de stad krijgen318. Voorlopig het laatste artikel in de reeks, was het volgende jaar dat over het vlugschrift van “de Pape”, dat we in het begin van dit artikel reeds vermeldden319.

    Scheerder beschrijft nog eens hoe er bij de clarissen en bogaarden (binnen de muren nog) zware schade vermeden werd doordat er voor drank gezorgd werd door schermmeester Gedeon (in zijn downloadbare en vulgariserende studie320) en ook hoe ze bij het verlaten van de stad in het voorbijgaan nog een aanval op het augustijnenklooster wilden doen, maar verjaagd werden door de prior.

    Rond dezelfde tijd schreef Louis Paul Boon zijn Geuzenboek, een postuum verschenen historische roman, derde deel van een trilogie over de sociale ontwikkelingen in Aalst en Vlaanderen en door G. Liagre als volgt beoordeeld: “Boon schetst een spectaculair beeld van de zestiende eeuw en plaatst ze in een origineel bezield verband. Zijn werk getuigt niet van wetenschappelijke originaliteit, eerder van tendentieuze geschiedschrijving.321” In de inleiding geeft Boon aan dat hij voor deze roman vooral gebruik gemaakt heeft van het reeds vermelde “oude werk” De opkomst van de Nederlandse Republiek van John Lothrop Morley. maar ook van 't “standaardwerk” van Marcus van Vaernewijck, al gebruikte hij vreemd genoeg de Franse vertaling322 (misschien omdat die beter verstaanbaar was voor een leek in 't vak) en van Bernardus De Jonghe zijn Gendsche Kronijcke. Hij las ook Het hongerjaar 1566 van Kuttner en de scripties van Backhouse over het Westkwartier. In zijn “bronnen”323 achteraan zijn boek (literatuur eigenlijk) staan tevens de werken van Scheerder over de beeldenstorm en de werking van de inquisitie en nog wat andere titels. Voor Mechelen beweert hij dat een grote menigte stormers het minderbroedersklooster binnendrong, maar Gedeon drank liet aanrukken en bijvullen, telkens men wou breken of vernielen; idem bij de clarissen en de karmelieten. Eén liet echter de drank staan, trok een monnikspij aan,en begon bovenop het altaar een preek te houden om eraan te herinneren hoeveel minderbroeders in dienst der inquisitie de calvinisten naar de brandstapel hadden geleid. Daarop lieten de anderen ook de drank staan en sloegen ze alles aan diggelen. De Magistraat liet ze dan door omgekochte mannen buiten de stad leiden, in kleine groepen van 200 tot 300 man en daar liet men ze in 7 kloosters breken: Hanswijk, Muizen, Thabor, Bethaniën, Blijdenberg, Leliendaal en het Begijnhof324. Dit klopt natuurlijk niet! Hoewel het correct is, staan die namen van de buitenkloosters nergens exact zo opgesomd in de bronnen of kronieken (alleen in de hierna vermelde artikels van dr. Van Autenboer uit 1985). De kerk der minderbroeders was ook vernield ('t was bij clarissen en bogaarden dat zware schade vermeden werd door het schenken van drank) en na die “preek” werd er bij de karmelieten gebroken. Het waren bovendien geen omgekochte mannen, maar een groot deel van de gezworen boogschutters onder leiding van Willem van Merode325. Historische romans zijn nu eenmaal geen toppunt van betrouwbaarheid!

    In 1985, 400 jaar na de Val van Mechelen toen er een einde kwam aan de Calvinistische republiek, produceerde dr. Van Autenboer nog twee artikels. Dat in Noordgouw zouden we zijn standaardartikel over de hele periode van de Beeldenstorm tot de Reductie van de stad kunnen noemen, maar het was nogal onduidelijk. Hij schreef hierin: “Binnen de wallen werden altaren en beelden vernield bij de Minderbroeders, de Bogaarden, de Karmelieten, de Arme Claren en de Augustijnen. Ook buiten de poorten werd het verwoesten voortgezet: de kloosters van Blijdenberg, Thabor, Hanswijk, Leliëndaal, Muizen en het Begijnhof vielen ten prooi aan de opgezweepte massa.326” Hier komt allicht het idee vandaan dat de augustijnen ook het slachtoffer werden, al staat dat nergens in de bronnen. Het was echt wat té samengevat. In de Handelingen van de Kring had hij het over de toegebrachte en herstelde schade, maar het is even beknopt en onduidelijk: “Het klooster der Minderbroeders werd het voornaamste mikpunt van de beeldstormers. Andere kloosters – de O.L. Vrouwbroeders, de Augustijnen, Hanswijk, de Arme Claren, Bethaniën, Blijdenberg, Leliëndaal, Thabor, Muizen en het Begijnhof – moesten het in mindere mate ontgelden. De parochiekerken bleven wonder boven wonder gespaard. Of hadden zij toch schade geleden?” (voor dit laatste verwees hij naar [het waarom van] een visitatio in de metropolitane en alle parochiekerken in 1568 op bevel van Alva, waarvan het verslag echter verloren ging)327.

    Guido Marnef nam de vermelding van minderbroeders en karmelieten plus een “aantal buitenkloosters” over van Van Autenboer328. In het laatste synthesewerk van 1991 schrijft hij hoe binnen de wallen bij de minderbroeders, bogaarden, karmelieten, arme klaren en augustijnen de altaren en beelden vernield werden, maar dat is dus niet helemaal correct en zo ontstaan misverstanden.

    Voor het colloquium Verwoesting en wederopbouw verwees H. Installé slechts naar E. Van Autenboer's artikel De Hervorming te Mechelen, 1566-1585 uit 1985329.

 

naar boven    Besluit

    We hebben eigenlijk een hoop verschillende genres onder de loep genomen: annalen (geschiedschrijving, chronologisch opgesomd, jaar na jaar), kronieken (chronologisch geordende gedenkwaardige en/of historische feiten, maar in de vorm van een verhaal), historiën (verhaal van een bepaalde gebeurtenis), geschiedenissen (geschiedschrijvingen rond bepaalde onderwerpen), memories (zelf beleefd of zelf vernomen, dikwijls met de bedoeling om een toestand te verdedigen of zichzelf te verrechtvaardigen; een ambtelijk retrospectief verslag willen we daar ook toe rekenen; een soort gegenwartchronistik zoals de Duitsers het noemen) en we begonnen met een paskwil.
    Soms is het onderscheid niet gemakkelijk te maken, maar alles gebeurt met een bedoeling en vanuit een bepaalde instelling, waardoor ook de inhoud niet zo gemakkelijk te vergelijken valt. Het is geen journalistiek en voor de meeste schrijvers was de toekomst belangrijker dan het verleden. Toch vullen ze mekaar aan wat de naakte feiten betreft. Er is niet één verhaal met verschillende invalshoeken; wel zijn er reeksen, die juist door de verschillende invalshoek met andere details op de proppen komen.

    De meeste verhalen die we hierboven herhaalden, zijn niet eerstehands en mogen dus eigenlijk niet als “bron” geciteerd worden – hoewel kronieken op die manier al te dikwijls misbruikt worden – en al evenmin als literatuur, wanneer ze hun bronnen niet opgeven (zoals bijv. G. D. de Azevedo wél deed). Het blijkt echter dat kroniekschrijvers soms veel fantasie hadden, terwijl tijdgenoten hun zogenaamde “feiten” ook maar door geruchten vernamen en degenen die het wél zelf meemaakten, uiteraard partijdig waren. Egodocumenten zijn waardevol, zeker wanneer ze als enige de gebeurtenissen beschrijven, maar ze moeten ook zeer kritisch benaderd worden, meer zelf als onderzoeksobject dan als bron330. De vooringenomenheid van de auteurs mag blijkbaar ook niet overdreven worden in ons geval: ze kan blijken uit de schuldaanwijzing of de hoop op een bepaalde afloop, maar het lijkt hun weergave van de feiten zelf niet beïnvloed te hebben. Niet alleen de luthersgezinde Gedeon had immers afkeer van het calvinistisch geweld, ook protestantse historici waren niet gelukkig ermee331.

    Het is van meet af aan een zootje geweest. Hoewel de totaliteit van de beschreven feiten zo gering is, werden ze – naargelang de auteur – dooreen gehaspeld of werd de helft vergeten. De recentere artikels bevatten te weinig details en E. Van Autenboer zijn thesissen – die trouwens dit aspect niet belicht hebben – werden nooit gepubliceerd. Het is gemakkelijker om de synoptische evangeliën te vergelijken, want dat zijn er maar drie, met weinig hypothetische bronnen. Wij hebben vele fragmentjes als bronnen en vele korte, onvolledige en zelfs tegenstrijdige verhalen. Toch willen we eindigen met een poging tot reconstructie, t.t.z. uit deze puzzel van afgeschreven en nieuwe feiten de lijn van bron naar verhaal duidelijk maken.

    De oudste bronnen, het basismateriaal voor alle latere verhalen, zijn uiteraard de handschriften van de tijdgenoten en we moeten beginnen met de aanwezigen, degenen die het (tot hun afschuw) meemaakten.
    Als eerste hebben we dan de kroniek van rederijker Cornelis Vermeulen, die afgeschreven werd door vanden Coelput, Vrindts en Cuypers de Rijmenam in hun respectieve kronieken, plus door de auteur van de tweede anonieme kroniek die Hoynck van Papendrecht vermeldt; het werd ook herhaald in de nota's die allicht van H. D. vanden Nieuwenhuysen zijn. Het moet dus een gemakkelijk te raadplegen bron geweest zijn.
    De paskwil van 1567 is eigenlijk belangrijker, maar werd eerst eind achttiende eeuw afgeschreven door de kanunniken de Azevedo (en Foppens?) en in de negentiende eeuw vermeld in de jaarboeken van Van Doren. Een uniek exemplaar (of kopie) moet dus eerst in de tweede helft van de achttiende eeuw opgedoken zijn.
    Een tweede reeks belangrijke en authentieke verslagen kwam ook niet vóór de tweede helft van de achttiende eeuw opnieuw tevoorschijn toen de archieven doorzocht werden, nl. de kloosterkronieken van Bethanië en Blijdenberg en het verslag van griffier van Ophem: ze vonden hun weg in de chronycke van de Azevedo.
    Ook de kronieken van niet-aanwezige tijdgenoten moeten we nog tot de bronnen rekenen: het boek van de Keulse kartuizer Surius en de handschriften van van Vaernewijck uit Gent en van Haecht uit Antwerpen. Surius werd gelezen door Burgundius en de Azevedo, maar de handschriften, hoewel interessant, belandden in de vergeethoek.
    In de late zestiende eeuw kwamen dan de eerste geschiedschrijvers: de manuscripten van Pontus Payen (waarnaar eerst in de negentiende eeuw door Motley en Nuyens zou verwezen worden) en Hopperus (waardeloos voor ons) en de boeken van Vander Haer, Strada, Bor (afgeschreven door Van Meteren) en Heuterus (het deel dat door de inquisitie vernietigd werd, zodat een bewerking van zijn stukje over Mechelen eerst tevoorschijn kwam in de eerste kroniek die Hoynck van Papendrecht vermeldde).
    In de zeventiende eeuw kropen er nog wat meer in de pen, maar veel oorspronkelijk werk was er niet meer bij (en dus vinden we ook niet veel nieuwe gegevens meer). Van Isselt schreef af van Vander Haer. De calvinist Van Meteren schreef af van notaris Bor, Burgundius haalde zijn vermelding van de karmelieten allicht bij Surius en werd zelf afgeschreven door Loyens, Schellingwou gaf geen details en ook Valerius bleef vaag. Het handschrift van Renom de France was iets interessanter, maar vóór de studies van E. Van Autenboer verwees slechts Motley ernaar voor wat betreft het aantal Mechelse beeldstormers. Ook het Antwerpsch chronijcke was een zeventiende-eeuws manuscript, maar de eerste publicatie ervan was eerst in 1743 en de inhoud werd dan drie jaar later overgenomen door De Jonghe.
    Toen in de achttiende eeuw de godgeleerdheid terrein verloor ten voordele van het verlichtingsdenken en het seculariseringsproces, vluchtte de geestelijkheid in de archieven. Uit de eerste helft van die eeuw was er verder alleen de handgeschreven kroniek van Gootens, vooral rijk aan fantasie en fouten. Onder de priesters was er eerst Van Gestel, die zowel in zijn boek als in zijn later manuscript erg vaag bleef. Hoynck van Papendrecht gaf een brief van Viglius aan Hopperus uit en raadpleegde enkele kronieken die hij bij zijn collega Van Gestel mocht lezen. Foppens plakte in zijn manuscript wat stukjes aaneen uit de paskwil (zelfs daar zijn we niet zeker van) en het door Hoynck van Papendrecht geciteerde handschrift (naar Heuterus). Hij was in 1761 overleden, dus heeft de paskwil gezien vóór Azevedo erover publiceerde (tenzij hij dat van de schippers dus haalde uit Azevedo's Abrégé Chronologique van 1753; niemand weet wanneer hij wat in zijn kroniek schreef of aanvulde). Eerst Azevedo raadpleegde bijna alles wat we hiervoor opgesomd hebben, in drukwerk en in handschrift. Zijn vlijtig werk zou in de volgende eeuw kritiekloos overgeschreven worden door kan. David en pastoor Baeten.
    Zo zijn we dan in de negentiende eeuw gekomen, na het einde van het Oud Regime, met afschaffing van zovele overheidsinstellingen, ambachten, gilden en kloosters en de onvermijdelijke verspreiding (en gedeeltelijke vernietiging) van hun archieven. De eerste archivarissen moesten dan ook verzamelen: Gijseleers-Thijs kopieerde ontelbare, ook voor ons belangrijke, stukken, maar schreef er niet zelf over en in de Jaarboeken van zijn opvolger Van Doren, die de eerste inventarissen maakte, vonden we slechts een vermelding van de door zijn voorganger gekopieerde paskwil. Kan. David schreef wél een moderne Geschiedenis van (...) Mechelen, maar Azevedo werd hier bevorderd tot “bron”. Pastoor Baeten deed zelfs de moeite niet om als Azevedo als zijn bron te vermelden, want het waren slechts krantenartikeltjes, kaderend in de polemiek tussen katholieken en liberalen. De uitvoerige kroniek van Schellens bevatte slechts een kopie van het artikeltje van baron de Saint-Genois over de confiscaties.
    Oorspronkelijk onderzoek kwam er dan eindelijk weer toen in de twintigste eeuw E. Van Autenboer zijn onuitgegeven thesissen schreef, met tussenin een artikeltje over drie sleutelfiguren. Eerst meer dan 40 jaar later kwam hij weer toe aan enkele artikels erover, maar die werden verwarrend in hun beknoptheid. Scheerder zou van hem afschrijven, net als Marnef en Installé. Boon, hoewel groot in de fictie, is het eigenlijk niet waard dat we hem tussen de kroniek- en geschiedschrijvers opnemen en haalde de mosterd allicht bij Scheerder.
    Samenvattend mogen we dus stellen dat Vermeulen dé bron bleef voor latere kronieken, al stond er niet veel. De paskwil werd eerst in de achttiende eeuw weer opgevist. Nog enkele gegevens vinden we bij Surius (een boek, dat dus geraadpleegd kon worden) en in de handschriften van van Vaernewijck en van Haecht (blijkbaar door niemand geraadpleegd). De geschiedschrijvers van eind zestiende eeuw zijn lange tijd niet zo belangrijk of toegankelijk geweest. In de zeventiende begon het afschrijven pas goed, de achttiende werd zowel door veel fantasie gekenmerkt als door het begin van degelijk literatuur en archiefonderzoek en in de negentiende begon de echt moderne geschiedschrijving, maar zonder (voor ons onderwerp toch) naar de echte bronnen te gaan.
    Tot en met dit laatste centennium zat er duidelijk een lijn in: de calvinist Van Meteren schreef af van de Hollandse “geus” Bor, want hun literatuur kaderde in het in grote mate protestantse en “Hollandocentrische” zelfbeeld van de Republiek332; de katholieke boekschrijvers schreven af van eerdere katholieke boekschrijvers; de auteurs van kronieken in handschrift kopieerden gretig gelijkaardige voorgangers. Verwonderlijk is dit uiteraard niet: enerzijds bleef het polemische tot in de negentiende eeuw bestaan, tot godsdienstvrijheid en onafhankelijkheidsstreven de publieke opinie minder gingen beroeren; anderzijds hadden kroniekschrijvers de beschikking over manuscripten van voorgangers en lazen de bibliofiele boekenschrijvers333 de drukwerken die ze hadden kunnen aanschaffen. Er werd van de zestiende tot de negentiende eeuw dus bijna uitsluitend geschreven “voor de goede zaak”. Voor de ene was dat een ideaal, voor de andere de verbetering van zijn eigen positie. Meestal bleek dit zelfs combineerbaar natuurlijk.
    Eerst de twintigste eeuw mocht zich verheugen in het degelijk historisch onderzoek van de vakman Eugeen Van Autenboer en sindsdien werd weer alleen maar gereproduceerd wat hij creëerde.
    In dit nieuwe millennium van de christelijke era vormde de roadshow van dhr. Wassing over Alva's Bloedraad voor ons de aanleiding om exact 450 jaar na datum eventjes de puntjes op de i te zetten en ervoor te pleiten om de steeds toenemende trend naar nivellering en amateurisering in de geschiedschrijving om te buigen, om van dit onderdeel van de cultuur opnieuw meer wetenschap en minder amusement te maken. Deze slotvergelijking heeft immers duidelijk gemaakt dat alle gegevens (originele vermeldingen met waarschijnlijk – of althans hopelijk – correcte weergave van de feiten en emoties) slechts terug te vinden zijn in de zestiende-eeuwse handschriften en we daarna slechts vaagheden, fantasie en fouten aantreffen, tot we aan de twintigste-eeuwse studies komen, die dan weer slecht samengevat werden. “Altijd terug naar de bron” (de authentieke overblijfselen of overleveringen; en natuurlijk daarop de regels van de historische kritiek toepassen) was het eerste motto van onze opleiding! Het gebruik van zgn. “secundaire bronnen” om geschiedenissen op te stellen, een euvel van de negentiende eeuw, duikt weer op in het kader van de popularisering, waarover men zich de vraag kan stellen of dit leidt tot het toegankelijker maken van cultuur of tot vervlakking334. Dit zal niet iedereen even aangenaam in de oren klinken, maar meer dan vijf eeuwen geleden schreef een andere grappenmaker al: “
Ergo si quis extiterit, qui sese lesum clamabit, is aut conscientiam prodet suam aut certe metum.335” We willen dus een lans breken voor meer professionaliteit, ook en zeker bij de professionelen.

naar boven    We willen eindigen met een opmerking over de stad als historisch studieobject, de vraag of stadsgeschiedenis een autonome historische subdiscipline vormt. De discussie over stadsconcepties in de stadshistoriografie is nogal sociologisch van aard geweest en teveel georiënteerd op de negentiende eeuw336. Hoewel de dichotomistische school het wat heeft moeten afleggen tegen de functionalistische (men m.a.w. het verschijnsel 'stad' liever niet meer ziet als een aparte entiteit tegenover het platteland), heeft ons onderwerp toch duidelijk gemaakt dat het politiek-organisatorische aspect (een van de aspecten waar Weber337 het accent op legde in zijn ideaaltypische formulering) een belangrijke rol gespeeld heeft in het aanzetten tot en vooral het beteugelen van de Beeldenstorm in onze stad en dat – zoals Gouldner aantoonde – de continuïteit van sociale verbanden verhindert dat een maatschappij zomaar verandert in een nieuwe wereld als louter resultaat van politieke wil338.

drs. Hugo Verstrepen

Bijlage 1: chronologische tabel van de schrijvers met hun werken

Bijlage 2: schema van oorspronkelijke auteurs en kopieerders
schema auteurs en kopiisten


naar boven   Eindnoten

1Zie ook verder over St.-Paulus in Efeze.

2Zie Dirven (Lucinda), De vernielzucht van IS staat in een lange traditie  in  Geschiedenis Magazine, jg. 2015, nr. 6 (september).

3Het recentste overzichtswerk over de man is Ebben (Maurits), Lacy-Bruijn (Margriet) en Hövell tot Westerflier (Rolof, van), Alba. General and Servant to the Crown, Rotterdam, 2013, 464 pp. Zie ook Geenen (Nina), Het proces van Alva. Landvoogd der Nederlanden, 1567 – 1573. Onuitgegeven bachelorpaper Geschiedenis KUL, Leuven, 2013, 32 pp.

4Het herstel van de religieuze eenheid van Europa was voor hem het ideaal waardoor de ambitie bewaard werd om de middeleeuwse eenheid van Europa te restaureren onder Spaanse suprematie, zoals onder zijn vader de idee van de universele monarchie nog gevoed werd door die van de onderwerping van alle vorsten aan de Roomse keizer. Cfr. Lesaffer (Randall), Europa: een zoektocht naar vrede? 1453-1763 en 1945-1997, Leuven, 1999, p. 54.

5Bijv. Maesschalck (Edward, De), Oranje tegen Spanje. Eenheid en scheiding van de Nederlanden onder de Habsburgers (1500-1648), Leuven, 2015, 352 pp.; Groenveld (Simon) en Leeuwenberg (Huib L. Ph.), De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden, ca. 1560–1650, Zutphen, 2008, 432 pp.

6Bijv. Gelderen (Martin, van), The Political Thought of the Dutch Revolt, 1555-1590, Cambridge, 1992, XI-348 pp. Deze kortere periode vinden we ook in de eveneens al wat oudere synthese van Woltjer (Jan Juliaan), Tussen vrijheidsstrijd en burgeroorlog. Over de Nederlandse opstand, 1555-1580, Amsterdam, 1994, 159 pp. P. Arnade liet zijn culturele, antropologisch benaderde geschiedenis beginnen met de Beeldenstorm, om te eindigen met de Val van Antwerpen in 1585: Arnade (Peter), Beggars, Iconoclasts, and Civic Patriots. The Political Culture of the Dutch Revolt, Ithaca, 2008, XIV-352 pp.; L. Geevers onderzocht de houding van de hoge heren ten opzichte van de monarchie door hun briefwisseling met allerhande Spaanse tussenpersonen (hovelingen van Filips II) te onderzoeken, contacten die erop gericht waren hechte banden te smeden tussen “Brussel” en “Madrid”, maar onvoldoende bleken om de fatale breuk met zijn belangrijkste vazallen te voorkomen: Geevers (Liesbeth), Gevallen vazallen. De integratie van Oranje, Egmont en Horn in de Spaans-Habsburgse monarchie (1559-1567) (Amsterdamse Gouden Eeuw reeks) (publicatie doctoraatsproefschrift 2008), Amsterdam, 2008, 252 pp.

7Zie bijv. Stensland (Monica), Habsburg Communication in the Dutch Revolt (Amsterdam Studies in the Dutch Golden Age), Amsterdam, 2012, 235 pp. Mechelen wordt hierin vermeld voor wat betreft de Spaanse Furie van 1572 en de verzoening van 1579.

8Bijv. Kaptein (Herman), De Beeldenstorm (Verloren verleden. Gedenkwaardige momenten en figuren uit de vaderlandse geschiedenis, 18), Hilversum, 2002, 96 pp. of Kuipers (Jan), De Beeldenstorm. Van oproer tot opstand in de Nederlanden, 1566, Zutphen, 2015, 176 pp.

9Het doet voor ons onderwerp niet verder terzake, dus verwijzen we graag naar de bibliografie van Nierop (Henk, van), The Netherlands (Dutch Revolt/ Dutch Republic), 24/07/2012, [on line], <http://www.oxfordbibliographies.com/view/document/obo-9780195399301/obo-9780195399301-0146.xml>, (geraadpleegd op 03/04/2016).

10Lezing op 17 november 2015 voor de Kon. Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen gehouden door dhr. Sander Wassing over “Mechelen, de Beeldenstorm en Alva’s Raad van Beroerten”.

11Hoe er omgesprongen werd met de vernietiging van de “religieuze habitat”, lezen we bij Boer (David, de), Picking up the Pieces: Catholic Material Culture and Iconoclasm in the Low Countries in BMGN - Low Countries Historical Review, jg. 131, afl. 1, 2016, pp. 59–80 (voor Mechelen gaat het hier hoofdzakelijk om de relieken van St.-Rombout en het beeld van O.L. Vrouw van Hanswijk – over 1580 en na 1585 dus – maar ook over het pijnlijke verlies van manuscripten, onschatbaar als herinnering: God kon voor nieuwe heiligen en mirakelbeelden zorgen, maar de geschriften waren van mensenhand).

12Stadsarchief Mechelen (hierna SAM), F (Rederijkerskamers), Serie II, nr. 3 (rol van de medebroeders van de St.-Jansgilde, genoemd de Pioene, tss. 1510 en 1790), f° [18v°]: “Cornelis Vermeulen”.

13In 1572 naar Holland gevlucht; zie DOUBLETH (Philips) (1) in Molhuysen (Philip Christiaan) en Blok (Petrus Johannes) (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. 7, Leiden, 1927, pp. 378-379 en Frederiks (Johannes Godefridus), Het geslacht Doublet in Heraldische Bibliotheek, N.R. 2, 's-Gravenhage, 1880, pp. 248-277.

14Cfr. Melckebeke (Guillaume Jean Josse, van), Geschiedkundige aenteekeningen rakende de Sint-Jans-Gilde, bygenaemd De Peoene, onder zinspreuk: In principio erat verbum, Mechelen, 1862, pp. 69-70, 85, 105 en 147 en Neeffs (Emmanuel), Fayd'herbe (Henri), enlumineur, doreur et sculpteur de figurines en albâtre  in  Biographie Nationale, dl. 6 (de Wilde - Fayn), Brussel, 1878, kol. 919-920.

15SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie IV (Chronijcke van Mechelen. Ende hoe het selve tot het Christen geloove is gebracht ende door wien mits gaeders noch veele memorabele geschiedenissen. Daerbij is noch gevoeght de particuliere beschrijvinge van de destructie van Mechelen door het poeder in de Santpoorte liggende ende door het onweder van donder ende Blixem, tot dien noch twee diversche beschrijvingen van Mechelen gelijck gij dat vervolgens sult beschreven vinden), pp. 90-98: “T'naer volgen is geschreven mette eijgen hant van Cornelis Vermeulen een liefhebber van de Rethorijcke, Guldebroeder ende personasie der loffelijcke Gulde der Pioene binnen Mechelen, den welcken het naervolgen altsaemen met syn eijgen handt geschreven en selver geleeft heeft, ende dit was het Beginsel.” Meer over deze kroniek en de identificatie van de auteur volgt in een volgende aflevering van deze tijdingen.

16Over jonker Jaspar Suls, handelaar en spilfiguur van het calvinisme te Mechelen en de lutheraanse schermmeester Gedeon, zie Autenboer (Eugeen, Van), Drie figuren uit het Mechelsche wonderjaar  in  Mechelsche Bijdragen, jg. 9 (1942), nr. 4 (december), resp. pp. 128-132 en 123-126.

17Heeten betekende o.a. “bevelen”; zie Wijck (Nicolaas, van), Franck's Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal, 's-Gravenhage, 1912, p. 239 en Vercouillie (Jozef), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 's-Gravenhage/Gent, 19253, p. 127.

18“Gebieden” is quasi synoni”m aan “bevelen”, maar toch was er een rangonderscheid. “Gebied hebben” betekende dat iemand de volle beschikking had, niet alleen over het handelen van personen, maar ook over hun land en have; zie Weiland (Petrus) en Landré (George Nicolas), Woordenboek der Nederduitsche Synonimen, dl. 1 (A-C), 's-Gravenhage, 1821, pp. 248-249. “Heeten” kon ook diegene doen die je gelijke was; “gebieden” werd voor edeler gehouden dan “bevelen”; de volgorde volgens rang en macht zou geweest zijn: “gebieden, bevelen, gelasten, heeten, verordenen, voorschrijven”; zie Ibidem, dl. 2 (D-N), 's-Gravenhage, 1825, pp. 185-187. Toch was de uitdrukking “heeten ende gebieden” niet ongebruikelijk; zie bijv. Castro (Jacobus, a), Regnum Christi, dat is Het ryck Christi, Vervangen in hondert en tien stichtelijcke ende seer geleerde sermoonen achtergelaten, Tot besonderen troost van alle oprechte Catholijcke zielen, ende grondelijcke wederlegginge tegen de opwerpselen van onse wederpartije in 't stuck van 't Gheloof, Roermond, 1649, p. 21: “dat sy geen geestelijcke overicheyt willen erkenne<n>, die hun souden mogen heeten ende gebieden, wetten, ende ordinantien maken” of Stevens (Kaerle), Libaut (Jan) en Silesius (Melchior Sebizius), De Velt-bovv ofte Landt-winninghe: Inhoudende eene rechte wel bestellinge eenes Hofs te bouwen : Cruydt-hoven ende fruyt-hoven te maecken : alderhande bomen te planten: Byen te houden : te distilleren : beemden, vijvers, en<de> staende wateren te maken, ende die te onderhouden : Visschen te vangen : Ackerlant te winnen : Wijngaerden te oeffenen : Medicinale wijnen te bereyden : Parc voor wilde Beesten te maken : Mitsgaders de Wolve-jacht, Amsterdam, 1627, p. 9: “die zijn begeerlickheden wel weet te bedwingen, ende zijn boden wel te heeten ende te gebieden”. Het is een tautologie waarbinnen men geen volgorde van rang moet zien, want ook de uitdrukking “gebieden ende bevelen” bestond; zie bijv. Den luyster ende glorie van het hertogdom van Brabant, herstelt door de genealogique beschryvinge van desselfs souvereyne princen ende door het ontdecken van den schat der privilegien, ordonnantien, ende soo rechts, en staet-kundige, als oeconomique reglementen der stadt Brussel, opgedragen aen den Koning, door de negen natien Makende her derde Lidt der selver, s.l.n.d. (1699?), dl. 1 (3 dnl. in 1 vol.), p. 153 of Vries (Matthias, De) en Verwijs (Eelco) (uitg.), Jacob van Maerlant's Spiegel Historiael, met de fragmenten der later toegevoegde gedeelten, bewerkt door Philip Utenbroeke en Lodewijc Van Velthem, Leiden, 1863, dl. 3, p. 23.

19Foncke (Robert), Een Schimprijmpje op Jan Spelleken  in  De Brabantsche Folklore. Bulletijn van den Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen in Brabant, jg. 17, nr. 99-100, Brussel, jan.-maart 1938, pp. 277-278:wat een soort kronijk is, die begint met de tijd van de romeinse keizers en gaat tot het jaar 1665 en werd opgesteld door de mechelse burger Henricus vanden Coelput (1606-1669).”

20SAM, DD (Geschied- en oudheidkundige bijdragen), Serie I (Wereldlijke), nr. 1 (“De beschryvinghe der gheboorte linie oft geslachts afcomst vande Edele Heeren Berthouders, Met hunlieden Stam-huys Vooghden. Oock de naemen vande Heeren Bisschoppen van Luyck, 't saemen Regeerders met de heeren Berthouders der Stadt Jurisdic<t>ie ende s'lants van Mechelen. Met veele waerachtighe geschiedenissen binnen de voorn. Stadt als elders vergaederdt door Henricus vanden Coelput”), f° 111r°-v°. Over de schrijver, zie Caers (Bram), Vertekend verleden. Geschiedenis herschrijven in vroegmodern Mechelen (1500 – 1650). Gedrukt doctoraatsproefschrift Letterkunde UA, Antwerpen, 2015, pp. 181-184.

21SAM, DD (Geschied- en oudheidkundige bijdragen), Serie I (Wereldlijke), nr. 6: Matériaux Recueillis par De Azevedo, Van den Nieuwenhuijse, De Vivario, Rijmenans et Autres Antiquaires de Malines parmi les quels sunt Varia Sine Ordine dispersa pour former une histoire Nationale, s.p.

22Zie Hendrik Dominik VAN DEN NIEUWENHUYSEN (1724-1780) in Verschaffel (Tom), Historici in de Oostenrijkse Nederlanden (1715-1794). Proeve van repertorium (Studiecentrum 18de-eeuwse Zuidnederlandse Letterkunde, Cahier nr. 15), Brussel, 1996, p. 97; Installé (Henri), Historische Stedenatlas van België. Mechelen II, Mechelen, 1997, p. 174; Adriaenssen (L. F. W.), Non Omnia Possumus Omnes: Genealogie van het geslacht van den Nieuwenhuysen 1400-1800 (Brabantse Stamboeken, 1), 's-Hertogenbosch, 1988, p. 381; Melckebeke (Fernand, Van), La famille "van den Nieuwenhuysen" (Suite)  in  De Schakel. Antwerpsche kring voor familiekunde, jg. 3 (1948), nr. 3, p. 79; D’Awans (R.), Un manuscrit attribué à Egide Smeyers (Etude bio-bibliographique)  in  Bulletin du Cercle archéologique, littéraire et artistique de Malines, bdl. 13, 1903, pp. 216-218.

23Autenboer (Eugeen, Van), Een pamflet over de Mechelse Beeldenstorm  in  Mechelse Bijdragen, jg. 11 (1949), nr. 1, pp. 22 en 29. Dr. Van Autenboer kende het slechts uit een afschrift in de Chronologische Aenwyser van Gijseleers-Thijs (SAM, CC [Uittreksels van het SAM e.a. bronnen], I, band 56 (1565-1567), 1566, nr. 50: “Advertissement en<de> loffel<ycke> vermaninghe aen de goede catholycke borghers van Mechelen, gedaen door medelijden van den zeer vermaerden en<de> oude philosooph Pasquil van Roome”) uit het nu onvindbare manuscript (een verzameling stukken over de troebelen 1566-1578) van advocaat Schellart of Schellens, maar die collectie zou identiek zijn met het Pape-manuscript uit de British Library; zie Bloemendal (Jan) en Dixhoorn (Arjan, van), Library cultures and public opinion in the early modern Low Countries  in  Bloemendal (Jan), Dixhoorn (Arjan, van) en Strietman (Elsa) (red.), Literary Cultures and Public Opinion in the Low Countries, 1450-1650 (Brill's Studies in Intellectual History, 197), Leiden/Boston, 2011, p. 32.
Waarschijnlijk gaat het in beide gevallen om de verzamelband die in 1819 te koop aangeboden werd uit de bibliotheek van de gravin d'Yve ( zie Gaudefroy (L. F. A.) (red.), Description bibliographique d'une très-belle collection de livres rares et curieux, provenant de la bibliothèque de Melle la Comtesse d'Yve – Catalogue des livres rarer et curieux, provenant de la bibliothèque de Melle la Comtesse d'Yve, dl. 1, Brussel, 1819, p. 262); de tekst in die verkoopscatalogus verschaft ons de ontbrekende inlichtingen: “[nr.] 4738 a Recueil de pièces historiques, politiques, satyriques, etc. , relatives aux troubles des pays-Bas de 1566 à 1579. in fol. Parch. / MSS du temps de 349 feuillets, indiqué original, et provenir de l'avocat Schellaert, qui était alors substitut procureur général du grand conseil à Malines; il passa de son cabinet dans celui de Dav. Ger. de Pape qui fit ajouter un index.”
Over de betekenis van vlugschriften toen, zie G
eurts (Pieter Antoon Maria), De Nederlandse Opstand in de pamfletten 1566-1584, Nijmegen, 1956, VIII-340 pp. Enkele onbegrijpelijkheden in Van Autenboer's tekst bleken verkeerde transcripties te zijn; we geven hier dus de tekst zoals hij in de kopie van Gijseleers-Thijs staat.

24Autenboer (Eugeen, Van), Een pamflet (...), p. 23.

25Cfr. voetnoot 23. P. van de Woestijne meende dat hiermee “de parochiepriester van Mechelen” bedoeld werd, maar daar hadden we er hier zoveel van; zie Woestijne (Paul, van de), De Oostwinkelse humanist Martijn De Smet (ca. 1520-1567) vader van de epigrafie  in  Appeltjes van het Meetjesland, jrb. 60 (2009), p. 244.

26Zie Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 12, stuk 1, 's-Gravenhage-Leiden, 1931, kol. 639-642 en Wijck (Nicolaas, van), Op. cit., p. 492. De benaming pamflet of vlugschrift bestond toen trouwens nog niet: men sprak van boekjes, libellen, paskwillen, liedjes, nieuwsmaren, samensprekingen, en zo meer; zie Meijer Drees (Marijke), Nederlandse pamfletten (ca. 1600-1750) als bron voor de literatuurgeschiedenis  in  Tydskrif vir Nederlands & Afrikaans, jg. 8, nr. 2 (december 2001), pp. 236-249.

27Schofferen ken “onteren” betekenen, maar ook “vernielen, bederven, schenden” (naast nog andere betekenissen); zie Verdam (Jacob), Middelnederlandsch handwoordenboek, 's-Gravenhage, s.a. (1911), pp. 522-523 en Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Middelnederlandsch woordenboek, dl. 7, 's-Gravenhage, 1912, kol. 606-610.

28Terden was gewoon een metathesis van “treden” en kwam in allerlei samenstellingen voor, waarbij tegentreden “tegemoet gaan” betekende; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 590.

29“Onnozel, dwaas”, zie Ibidem, p. 546.

30“Onmiddellijk; zie Ibidem, p. 505.

31Dit verwijst naar de inval van Maarten van Rossum in Brabant in 1542; zie Pape (Justus Dorotheus Willem), De levensgeschiedenis van Maarten van Rossem, voornamelijk met betrekking tot de tegenwoordige Provincie Noord-Braband, met eene nauwkeurige aanwijzing van zijn verblijf en zijne vestigingen in dezelve, 's-Hertogenbosch, 1847, p. 70 en Gorter-van Royen (Laetitia V. G.), Het rampjaar 1542 in Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden. Een politieke analyse op basis van haar regentschapsordonnanties en haar correspondentie met Karel V, Hilversum, 1995, pp 253-264.

32Een groote pocher is een poffer” schreef Tuinman (Carolus), Rymlust: behelzende I. Het ongerymde pausdom, met eene rommelzode van paapenheiligdom. II. Uitspannings uitspanning. en III. Rymproeve. Alles tot betoog van de rymrykheid der Nederduitsche taal. Noch een byvoegzel van gedichten, Middelburg, 1729, p. 338. Poffer was dus hetzelfde als “pocher”, nl. een “pofhans, praalhans, bluffer”; zie Wijck (Nicolaas, van), Op. cit., p. 514, Kiliaen (Cornelis), Etymologicum Teutonicae linguae, sive Dictionarium Teutonico-Latinum, praecipuas Teutonicae linguae dictiones et phrases Latinè interpretatas, & cum aliis nonnullis linguis obiter collatas complectens, Antwerpen, 15993, p. 409 en Roches (Jean, Des), Nieuw Nederduytsch en Fransch woordenboek, Antwerpen, 1769, p. 566.

33Cluyt betekent niet alleen “kluit, klont, bal, kogel”, maar ook “klucht, grap, (bedrieglijke) aardigheid, zotternij, belachelijke zaak”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 297, Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 3, 's-Gravenhage, 1894, kol. 1603 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 7, stuk 2, 's-Gravenhage/Leiden, 1941, kol. 4428-4441.

34Een guyt was oorspronkelijk een “deugniet, grappenmaker”, maar kreeg later ook de betekenis van “landloper, leegloper, bedelaar”. Hiervan werd dan het Franse gueux afgeleid, van welk scheldwoord vervolgens de vrijheidsstrijders hun erenaam zouden maken. Gu(y)ten was “spotten, de gek steken met”. Zie Vercouillie (Jozef), Op. cit., p. 118, Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 2, 's-Gravenhage, 1889, kol. 2208 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 5, 's-Gravenhage/Leiden, 1900, kol. 1224-1230.

35Een naam waaronder de minderbroeders (of minnebroers) in Frankrijk gekend waren, verwijzend naar het geknoopte koord dat ze over hun pij droegen en daterend uit de tijd van de zevende kruistocht. In Frans- en Engelstalige publicaties worden ook de onze zo nog genoemd. Bor gebruikte de naam echter eveneens, dus zo abnormaal is het niet; zie bijv. in de 1621-uitgave: Bor (Pieter Christiaenszoon), Nederlantsche oorloghen, beroerten, ende Borgerlijcke oneenicheyden, Beginnende Mette Opdrachte der selver Landen, gedaen by keyser Karel de V. aen zijnen zoon koninck Philippus van Spangien, tot de droevige doot van zijn Excell. Willem Prince van Orangien hoogl<yke> memor<ie>, Leiden, 1621, f° 152r°. Zie ook verder in het Franstalige verslag van griffier van Ophem.

36Wederkerig betekent sich vervaren of ververen “bang worden/zijn, zich beangstigen”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 641, Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 9, 's-Gravenhage, 1929, kol. 201-210 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 18, 's-Gravenhage/Leiden, 1958, kol. 1666-1674.

37Het was een hypothese van dr. Van Autenboer om deze man te vereenzelvigen met kleermaker Jan Vermelen, bijgenaamd Silveren Elle; zie Autenboer (Eugeen, Van), Drie figuren (...), p. 128.

38Vaets betekent in eerste instantie “muf, naar 't vat smakend.” Ook “kaal, bleek, flauw, lui, lomp, laf, verwaand” enz., maar gelet op wat er volgt, is het blijkbaar een woordspeling. Als een herberg vaats was, viel er niet meer te tappen. Het was dus allemaal vergeefs en Gedeon moest voor drank zorgen. Zie Winkelman (O. R. F. W.), Néderduitsch en Fransch woordenboek, bevattende de betekenis en het onderscheiden gebruik der woorden. Uit de beste schrijvers verzameld, Utrecht, 1783, p. 733 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 20, stuk 2, Leiden, 1988, kol. 1395-1408.

39“Dapper, kloek, flink, wakker”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 611. Uiteraard ontleend aan het Frans; Kiliaen noch Winkelman namen het bij hun Néderduitsch/Teutoonse woorden op.

40“Van het begin af, al dadelijk”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 160.

41Een verciersel is een “fabeltje”, een “verzinsel”. Anders gezegd: hij had zich eerst iets laten wijsmaken (dat er veel meer beeldstormers waren). Versieren betekende (naast “verfraaien”) “verzinnen, uitdenken, bedenken” en “veinzen”, zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 635. We vinden het heel expliciet in slecht één betekenis in de zestiende eeuw bij Kiliaen (“versieren” = comminisci, fingere, effingere, confingere, commentari, excogitare, ementiri, assimulare / “versiert” = fabulosus, fictus, confictus / “versiersel” = commentum, fictio / “versierdelijck” = fictè); zie Kiliaen (Cornelis), Op. cit., p. 602. Het bleef nog lang in die betekenis bestaan, zoals blijkt uit diverse vertalende woordenboeken. In 1787 werd versiersel of verciersel in het Duits vertaald als “Gedicht, Fabel, Erdichtung”; zie Nieuw woordenboek der Nederlandsche en Hoogduitsche taal, waarin de woorden en spreekwyzen der eerste taale, volgens hunne verscheide betekenissen en kragt, door de laatste naauwkeurig verklaard en opgehelderd worden, door Matthias Kramer, in zyn leeven hoogleeraar in de Oostersche taalen, en lid van 't Pruissische genootschap der weetenschappen: vervolgens overgezien, van veele misstellingen en andere vlekken gezuiverd, als mede met een groote menigte van woorden en spreekwyzen merkelyk vermeerderd, door Adam Abrahamsz van Moerbeek, predikant te Dordrecht, Leipzig, 17874, p. 494. In 1823 werd het Engelse fable vertaald als “een leerzaam verdichtsel, versiersel of fabel; – een verzonnen leugen, een vertelsel of sprookje”; zie Engelsch en Néderduitsch woordenboek Van J. Holtrop, Herzien, vermeerderd en verbeterd door A. Stevenson, Naar de régelen en voorbeelden der beroemdste Spraakkundigen en Woordenboekschrijvers in beide tálen, met aanwijzing der meest beschaafde uitspraak. Eerste deel, behelzende Het Engelsch voor het Nederduitsch, Dordrecht/Amsterdam, 1823, p. 297. De directe voorgangers van Van Dale gaven voor versiering naast “opsmukking” ook nog de figuurlijke betekenis van “fabelachtig verhaal”; zie Calisch (Isaac Marcus) en Calisch (Nathan Salomon), Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal; bevattende: de meest gebruikelijke woorden, spraakwendingen en spreekwoorden; (...), Tiel, s.a. [1864], p. 1463.

42Een variant van doortogen of doortiegen, wat “doorreizen, doorlopen, doortrekken” betekent en ook “doorweken”, zodat het voltooid deelwoord “vervuld (doortrokken) van” (een bepaalde eigenschap) kan betekenen ; het voltooid deelwoord werd tevens gebruikt als adjectief in de betekenis van “doorslepen, doortrapt”; zie Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 2, 's-Gravenhage, 1889, kol. 345-346 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 3, stuk 2, 's-Gravenhage/Leiden, 1916, kol. 3085-3089. De tweede betekenis heeft een negatieve connotatie (leep, listig), maar kan ook “zeer kundig, ervaren” betekenen. Het is van “zeer slim in het kwaad doen” dat de betekenis van “sluw, vals, gemeen” komt, de enige die nu is overgebleven.

43Met Gedeon plus Eenooghe?

44Azevedo Coutinho y Bernal (Gerard Dominique en Joseph Felix Antoine François, de)], Table Généalogique de la Famille de Corten, Patrons Laicqs des Canonicats de l'Église Collegiale de Notre Dame au dela de la Dyle à Malines, avec quelques pièces y annexé'es touchant l'érection du Chapitre &c. Ou on a joint pour plus ample connoissance un Abrégé Chronologique de l'État de cette Église avant son Érection en Collegiale. Comme aussi la liste des Prevosts, Doyens, et Chanoines, Avec leurs Epitaphes, les Inscriptions Sepulchrales des Personnes Nobles ou Celebres enterrées danse cette Église dont on donne ici plusieurs Figures gravées en taille douce, comme aussi le profil de la ditte Église, Leuven, 1753, s.p.

45Schœffer [Jan], Historische aanteekeningen raekende de kerken, de kloosters, de ambachten en andere stichten der Stad Mechelen, dl. 1 (Opkomst en Bloei der stad Mechelen met zijne Parochiekerken en Kapellen), Mechelen, s.a., p. 128.

46B[aeten] (J[an]), Verzameling van naamrollen betrekkelijk de kerkelijke geschiedenis van het aartsbisdom van Mechelen, dl. 2, Mechelen, s.a., p. 228. Zie ook Installé (Henri), Inventaris van het fonds Visverkopersambacht op het Stadsarchief te Mechelen (Studia et Documenta Mechliniensia, II), Mechelen, 1987, p. XII.

47Dambruyne (Johan), Verzamelinventaris van de nog niet geherinventariseerde archieven van de Mechelse ambachten (tweede helft 13de eeuw-einde 18de eeuw) (Studia et Documenta Mechliniensia, IX), Mechelen, 2006, p. 64.

48SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie XXIX, nr. 2 [het oudste van de twee delen, ze zijn verkeerd genummerd]: “Een cort begrijp van de fondatie ende oprichtinghe des Cloosters van Onse Lieve Vrouwe in Bethania, hoe dat eertijts is opgeboudt geweest buijten de Stadt Vesten van Mechelen, tusschen Deghem poort ende dWincket. (...)”, s.p.

49Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen, Conventualia, I (Registers), § 2 (Vrouwenkloosters), Klooster van Blijdenberg te Mechelen, reg. 72 en 73 (“Som<m>ige annotatien aengaende het clooster binnen Mechelen dat gesticht is in die eere van Onszer Lieven Vrouwen inden berg Sion geheeten de Non<n>en van Mechelen anders genaemt Blijenberge der orden vanden glorieusen heylighen vader S<in>te Augustijn, naer de institutie en<de> reformatie der Broederen van Sinte Victor bij Parijs. Uut sekere oude scriften bij een versaemt tot den jaere 1550. Maer naer de voers<eyde> jaeren hebben de voers<eyde> religieusen die de aenteeckenine gedaen hebben het selve in hun leven gesien”), hs. 18de eeuw, 2 ex., resp. pp. 19-20 en 20-21. Deze kroniek wordt toegeschreven aan een anonieme non die haar werk in 1662 beëindigde; cfr. Sandra (Els), Onderzoek van het klooster Blijdenberg. Een bijdrage tot de geschiedenis van Mechelen (1242-1417). Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Geschiedenis KUL, Leuven, 1976, pp. 13-15.

50Zie Goetstouwers (Adriaan), Het Wonderjaar te Walem in Bulletin de la Commission royale d'histoire / Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, dl. 116, Brussel, 1951, pp. 291-327.

51De nonnen van Roosendaal waren cisterciënzerinnen en pater Bernardus de Grande was een monnik van de cisterciënzerabdij van St.-Bernard aan de Schelde. Hij was er prior geweest en werd de laatste pastoor van Heerle bij Wouw, tot hij daar door de protestanten verdreven werd in 1648. Het is daarna dat hij biechtvader was in Leuven en vervolgens bij de nonnen in Walem (hij was tevens hun rentmeester), tot hij in 1664 naar zijn abdij terugkeerde. De kroniek is dus zeker niet eigentijds! Zie Fruytier (J.), GRANDE (Bernardus de) in Molhuysen (Philip Christiaan) en Blok (Petrus Johannes) (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. 6, Leiden, 1924, kol. 618 en Lommel (Antonius, van), Mengelingen. 1 Aanteekeningen omtrent de Parochiën en onderhoorigheden, die genoemd zijn in het Verslag van 1620 of in de Remonstrantie van 1669 in Dietsche Warande. Tijdschrift voor Nederlandsche oudheden, staatsgeschiedenis, kunst en letteren, bestuurd door Jos. A. Alberdingk Thijm, jg. 9, Amsterdam, 1871, p. 282.

52Parloir of parloor was ontleend uit het Frans en afgeleid van het middeleeuws Latijn parlatorium (een spreekkamer voor monniken); zie Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 6, 's-Gravenhage, 1907, kol. 150.

53SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie XXVII, reg. 1 (enig nr.; kroniek 1220-1663: “Op ende Voortganck van het vermaerdt Clooster ende Abdije van Roosendael der ordre van Cistaux buijten Mechelen. Gemaeckt door broeder Bernaert De Grande Religieux der selver orde, geprofessit in het Clooster der plaetse van S.te Bernaert op de Schelde buijten Antwerpen ende Pater Confessor van Roosendael a° 1663.”), p. 86.

54Zie Teeuwen (Norbertus), Nicolaus de Tombeur, O.E.S.A. (1657-1736) en zijn « Provincia Belgica » in Roth (Francis) en Teeuwen (Norbertus) (red.), Augustiniana. Septimo exacto saeculo a magna unione. MCCLVI-MCMLVI [Cassiacum. Studies in St. Augustine and the Augustinian order, dl. 5 (American Series) = Augustiniana, dl. 6, 1956, afl. 1-2], New York, 1956, (pp. 659-693) p. 689.

55Nicolaus de TOMBEUR (1657-1736) in Verschaffel (Tom), Historici (...), p. 95.

56Archief Belgische Augustijnen [(ABA), vroeger in Gent, nu in Heverlee], Klooster Mechelen, 9 (“Chronicon conv. Mechliniensis Authore, Ad. R.P. Lambertus a S. Joanne, ab A° 1262. 1658”) en 13 (“Liber memorialis, etc. per J. Neeffs, Provincialem, 1585-1652”).

57ABA, Provincialia, Tombeur (Nicolaus, de), Provinciae Belgicae, Coloniensis, seu Inferioris Alemanniae Ord. Erem. S. P. Augustini Descriptio, hs., dl. 4 [pp. 1-55 (f° 4r°-32r°): “Conventus Mechliniensis”], p. 18.

58SAM, Varia, V34: “Ex Analectibus Mechliniensibus summo Labore collectis Per Ægidium Josephum Smeyers Pictorem eximium & diligentissimum antiquitatis perquisitorem Magnum Historicum Nec non artis Litterariæ Peritissimum” (kopie van hs. 5442 [oud nr. 18101-11] uit de Kon. Bibliotheek Brussel, zie Gheyn (Joseph, Van den), Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque Royale de Belgique, dl. 8, Brussel, 1908, p.113 [daar op f° 19v°-64r°]; het origineel behoorde in 1767 tot de bibliotheek van Egidius Vereecken, dalscholier van Hanswijk en kwam later in handen van Pierre André Pierets, Mechels burgemeester onder Napoleon, 1808-1813).

59Zie Egidius Jozef SMEYERS (1694-1771) in Verschaffel (Tom), Historici (...), p. 90.

60SAM, V34, f° 22r°-43v°: “Chronicum Prioratus de Musenis olim in Agro Mechliniensi in pago De Muysen siti à turbatoribus Calvininianis pulsi Nunc in civitate Mechliniensi Degentis”.

61Zie de bespreking door Hans van Werveke in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, jg. 9 (1930), afl. 2, pp. 642-643. Voor zijn persoon, zie Moor (Inge, De), De Kracht van het protestantse woord: Het succes van de hagenpreken in Antwerpen en Gent. Onuitgegeven masterproefschrift Geschiedenis RUG, Gent, 2010, pp. 12-14.

62Roosbroeck (Rob, van) (uitg.), De Kroniek van Godevaert van Haecht over de troebelen van 1565 tot 1574 te Antwerpen en elders, dl. 1, Antwerpen, 1929, resp. pp. 14, 25 en passim.

63Ibidem, p. 101.

64Ibidem, p. 102.

65Ibidem, p. 106.

66Zie o.a. VAERNEWIJCK (Marcus van)  in Aa (Abraham Jacob, van der), Biographisch woordenboek der Nederlanden, bevattende Levensbeschrijvingen van zoodanige Personen, die zich op eenigerlei wijze in ons Vaderland hebben vermaard gemaakt, voortgezet door K. J. R. van Harderwijk en Dr. G. D. J. Schotel, dl. 19, Haarlem, 1876, pp. 2-5; Vaernewijck (Marcus van)  in  Branden (Frans Josef, van den) en Frederiks (Johannes Godefridus), Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, Amsterdam, 1888-1891, pp. 799-800; Claes (Leen), De Spaanse soldaten door de ogen van Marcus van Vaernewijck. Een katholieke visie op de Spaanse soldaten te Gent aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Onuitgegeven masterproefschrift Geschiedenis RUG, Gent, 2012 (p. 16: zij verwijst slechts naar Parker (Geoffrey), The Dutch Revolt, Londen, 1977); Moor (Inge, De), Op. cit., pp. 10-12.

67Haeghen (Ferdinand, Vander), Van die Beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelijk in Ghendt 1566-1568, door Marcus van Vaernewijck, naar het oorspronkelijk handschrift uitgegeven. Eerste deel (Maatschappij der Vlaamsche bibliophilen, reeks 4, nr. 1), Gent, 1872, pp. 183-188: “Dat tweede boeck. Caput. XV. "In hoeveel groote treffelicke steden, dat men in de weke beghinnende dat XXen Augustij 66, die beelden ende keercken reparacien afbrack, hier in dees Nederlanden”. Verscheen ook in een Franse vertaling: Smet de Naeyer (Maurice, de) (red.) en Duyse (Hermann, van) (vert.), Mémoires d'un patricien gantois du XVIe siècle. Troubles religieux en Flandre et dans les Pays-Bas au XVIe siècle. Journal autographe de Marc van Vaernewijck, 2 dln., Gent, 1905-1906.

68Borgt (Jerina, Van der), Marcus van Vaernewijck: “Van die Beroerlicke Tijden in die Nederlanden” Boek 8, hoofdstuk 14, 15, 16, 17 en 18 (f. 323 v tot f. 331 r). Onuitgegeven masterproefschrift Nederlandse Letterkunde RUG, Gent, 2008, dl. 1, p. 8: “Het magnum opus van Van Vaernewijck echter werd ons in een handschrift overgeleverd, namelijk "Van die Beroerlicke Tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghendt 1566-1568" (hs. 2469, Universiteitsbibliotheek Gent). Van Vaernewijck schrijft hier als ooggetuige over de gebeurtenissen te Gent in het jaar van de beeldenstorm (1566) tot 1568. Het is een vijfdelig werk dat belangrijke economische en sociale gegevens bevat uit de zestiende eeuw. Vaernewijck probeert zo objectief mogelijk weer te geven wat hij ziet. Telkens wanneer hij iets verneemt via geruchten, vermeldt hij dit, zoals nog verder zal blijken uit de hier uitgegeven hoofdstukken.” Dat we hier niet expliciet te horen krijgen dat hij het maar “fama” heeft, zal dan allicht te maken hebben met het feit dat wat buiten zijn eigen stad plaatsgreep, per definitie via geruchten vernomen werd.

69Een ingekorte omzetting in modern Nederlands werd gemaakt door Nuffel (Herman, Van), Van de beroerlijke tijden in de Nederlanden en voornamelijk in Gent (1566-1568). Door Marcus Van Vaernewijck. Geëxcerpeerde uitgave, bewerkt en in modern Nederlands overgebracht (Vlaamse Pockets, 186), Hasselt, 1966, 165 pp. Er zijn ook veel bastaardwoorden uit het Frans bij, zoals estijme en dissimulacie.

70Een commissie was een “opdracht, mandaat, lastbrief” en vandaar ook een “groep personen met een opdracht”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 103, Kiliaen (Cornelis), Op. cit., p. 251 en Dale (Johan Hendrik, van), Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal, bevattende: 1. De meest gebruikelijke woorden, spraakwendingen en spreekwoorden; 2. De bastaardwoorden, die of reeds het burgerrecht hebben verkregen of vrij algemeen worden gebezigd, en 3. De meeste kunstwoorden, 's-Gravenhage/Leiden/Arnhem, 1872, p. 162.

71“Geschut”; zie Wijck (Nicolaas, van), Op. cit., p. 275, Verdam (Jacob), Op. cit., p. 165 en zie Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 2, 's-Gravenhage, 1889, kol. 659-662.

72Net als Heuterus zal doen (zij het dan voor de problemen met de Spaanse vendels in 1560), verwijst hij naar het koninklijk arsenaal, om aan te geven waarom er in Mechelen couver, d.i. “overvloed, voorraad” was aan geschut; zie Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 3, 's-Gravenhage, 1894, kol. 1670-1671.

73“Sieraden”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 124.

74Verzoucken (verzoeken) betekent o.a. “bidden tot”, maar ook “bezoeken” (waaronder heilige plaatsen; zo'n “bedevaart” komt uiteindelijk op hetzelfde neer); zie Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 8, 's-Gravenhage, 1916, kol. 2494-2500 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 20, Leiden, 1988, kol. 2440-2467.

75Het gaat hier om de karmeliet Petrus de Wolf, cfr. Autenboer (Eugeen, Van), Petrus De Wolf. Carmeliet en Predikant. Verdediger van Mechelen. Geloofsgetuige  in  Carmel. Tijdschrift voor Carmelitaanse geschiedenis en geestelijk leven, jg. 1, afl. 2 (oktober 1948), (pp. 109-139) pp. 114-115.

76Winkel betekende o.a bedrijfswerkplaats of atelier van een beeldend kunstenaar; zie Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 26, 's-Gravenhaghe, 1993, kol. 1019-1060.

77Hij maakt hier een vergelijking met de Handelingen van de Apostelen 19:23-40. Demetrius, een zilversmid uit Efese die Artemistempeltjes maakte, zette zijn ambachtslieden en arbeiders op tegen de apostel Paulus, omdat die de mensen overtuigde dat door mensenhanden gemaakte goden, geen goden zijn. De Mechelse kleinstekers konden juist goed verdienen om te vervangen wat de beeldstormers vernield hadden, dus werd hun collega verboden om in te grijpen.

78“Hatelijk, ergerlijk, vervelend, onuitstaanbaar”; van het Frans odieux, afgeleid van het Latijn odiosus. Het is een leenwoord, dat niet in de klassieke naslagwerken voorkomt, alleen in vertalende woordenboeken; zie bijv. Winkelman (O. R. F. W.), Op cit., p. 234 of Pomey (François), Nieuw Nederduytsch - Latyns Woórdenboek. Nieuwen druk, Vermeerderd met aentallyke schoone spreuken en eenige duyzende wooórden, de welke men met de grootste zorg en nevrstigheid heéft byeen verzameld uyt de taelkundigste en beste schryvers, ende voórnamentlyk uyt S. Pitiscus en D. Van Hoogstraeten, Mechelen, 1819, p. 238. In de “dikke” van Dale werd het wél opgenomen van in de eerste uitgave (Dale (Johan Hendrik, van), Op. cit., p. 648) en het stond ook al in het door van Dale bewerkte Calisch (Isaac Marcus) en Calisch (Nathan Salomon), Op. cit., p. 855.

79“Orgels”. Het komt in die schrijfwijze niet voor in de naslagwerken, maar de betekenis is duidelijk en we moeten het gewoon als dialectisch beschouwen; zie Verwijs (Eelco) enVerdam (Jacob), Op. cit., dl. 5, 's-Gravenhage, 1903, kol. 1968 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 11, s-Gravenhage/Leiden, 1910, kol. 1487-1492.

80Verdam (Jacob), Op. cit., p. 175: “Fremineur, frere-, -meneur, -eer, znw. m. Minderbroeder”.

81SchŒffer [Jan], Op. cit., dl. 1, s.a., pp. 176-177.

82PAYEN (Pontus) in Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., dl. 15, Haarlem, 1872, p. 145.

83Henne (Alexandre) (uitg.), Mémoires de Pontus Payen. Avec notice et annotations (Collection de mémoires relatifs à l'histoire de Belgique, 1re série: XVIe siècle, 10), dl. 1, Brussel, 1860, pp. V-VI.

84Ibidem, pp. 174-175.

85Ook in Mechelen waren het vnl. arme sloebers. Aan de lijst getiteld “Les noms et surnoms des persoones executez par Lescoutette à Malines pour le faict des troubles 7 aug. 1569” (verklaring d.d. 7 aug. 1569 van schout Guilam de Boevekerke over hun executie en de confiscatie van hun goederen), voegde de schout toe: “sont tres povres gens ayant delessees la plus part femme et povres enfans, reservé tout seulement le devant dict gillis Smout orfevre, Jehan Steevens masson, et Jehan Booets dict Leepelleere.” Zie Behets (Paul), Mechelse Boedels, deel II, nrs. 141-252 (1567-1600) (Het Genealogisch Repertorium van het Mechelse District, 61), Hombeek, 2012, p. 111. De originelen van de boedelbeschrijvingen der geëxecuteerde of gevluchte veroordeelden zitten in het AR (Algemeen Rijksarchief in Brussel), echter niet in het notariaatsarchief maar in een apart fonds dat ‘Acquits de Lille’ wordt genoemd (zie AR, Inventaris A 127/02: Inventaire des acquits de la Chambre des Comptes de Lille, nrs. 1466, 1467 en 2076). Paul Behets deelde ons mee dat notaris De Hondecoutre veel van die boedels en vonnissen genoteerd heeft. In zijn bewaard gebleven Mechels notariaatsarchief is daar echter geen spoor van te vinden, daar er in Mechelen alleen maar akten zitten uit het einde van zijn notariaat (misschien is hij ook wel achteraf eerst verhuisd van Brussel naar Mechelen?). Er waren ook veel beschuldigden die de storm hadden zien aankomen en waar Antoine Van den Berghe, die door Alva aangesteld was om binnen het territorium van Mechelen de confiscaties uit te voeren van al wie beschuldigd was van enige medewerking aan de religieuze en politieke troebelen, geen meubels meer aantrof om te verkopen; zie Saint-Genois (Jules, de), Notice sur les Confiscations exercées à Malines de 1567 à 1570. Overdruk uit Bulletins de l'Académie Royale de Bruxelles, dl. 5 (1838), nr. 9, (12 pp.) p. 9.

86“Publiek; op een overduidelijk, manifeste wijze”. Het bijwoord patentement (of synoniem patemment) was afgeleid van het nog bestaand adjectief patent (evident, manifest) en werd tot in de negentiende eeuw gebruikt, maar behoort niet meer tot het standaard Frans; zie Littré (Émile), Dictionnaire de la langue française, contenant 1° pour la nomenclature: Tous les mots qui se trouvent dans le dictionnaire de l'Académie Française (...) 2° pour la grammaire (...) 3° pour la signification des mots (...) 4° pour la partie historiqe (...)5° pour l'ethymologie (...), dl. 3 (I-P), Parijs, 1883, p. 1003. Richard De Radonvilliers probeerde het in de negentiende eeuw in te voeren als nieuw woord, maar dan als substantief, in de betekenis “action de patenter, état patenté”, afgeleid van het werkwoord patenter dus, wat iets heel anders betekent (ofwel onderwerpen aan de administratieve controle, aan de patentbelasting; ofwel een licentie afleveren); zie Richard de Radonvilliers (Jean Baptiste), Enrichissement de la langue française. Dictionnaire de mots nouveaux, Parijs, 18452 , p. 169.

87Zie Viaene (Antoon), Een satire op de Spanjaarden door de Ieperse rederijker Augustijn van Hernighem  in  Biekorf. Westvlaams Archief voor Geschiedenis, Oudheidkunde en Folklore, jg. 59, nr. 4, Brugge, grasmaand [april] 1958, pp. 97-101 en Id., De Graaf van Egmond te Ieper in de beroerde jaren 1566-1567  in  Westvlaams Archief voor Geschiedenis, Oudheidkunde en Folklore – Bijblad van Biekorf, jg. 46, dl. 2, Brugge, 1939, pp. 25-34.

88Verheyden (Alphonse L.E.) (uitg.), Augustyn van Hernighem. Eerste bouck van beschryfvinghe van alle gheschiedenesse (1562-1572) (Vereniging voor de Geschiedenis van het Belgisch Protestantisme. Historische documenten, 4), Brussel, 1978, 135 pp.

89Cfr. de kritische bespreking door Niklaas Maddens  in  Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, jg. 59 (1981), afl. 2, pp. 508-509. Voor de beeldenstorm binnen en buiten Ieper, zie de kroniek pp. 18-21.

90Zie HOPPERS (Joachim) in Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., dl. 19, Haarlem, 1867, pp. 1253-1259; Rahlenbeck (Charles), HOPPER (Joachim) ou HOPPERS, homme d'Etat et jurisconsulte  in  Biographie Nationale, dl. 9 (Helmont-Hyperius), Brussel, 1886-1887, kol. 466-468; Brugmans (Hajo), HOPPERUS (Joachim), eigenl. Hoppers  in  Molhuysen (Philip Christiaan) en Blok (Petrus Johannes) (red.), Op. cit., dl. 7, Leiden, 1927, kol. 622-623. Zie ook de studies van Janssens (Gustaaf), Hopperus, Joachim (also Jochem Hoppers; 1523–1576) in Hillebrand (Hans Joachim) (red.), The Oxford Encyclopedia of the Reformation, dl. 2, New York/Oxford, 1996, pp. 254-255; Id., “Barmhartig en rechtvaardig”. Visies van L. Villavicencio en J. Hopperus op de taak van de koning  in  Blockmans (Willem Pieter) en Nuffel (Herman, van) (red.), État et religion aux XVe et XVIe siècles. Actes du colloque à Bruxelles du 9 au 12 octobre 1984/ Staat en religie in de 15e en 16e eeuw. Handelingen van het colloquium te Brussel van 9 tot 12 oktober 1984, Brussel, 1986, pp. 25-42; Id., Joachim Hopperus en Willem van Oranje, 1566-1576  in  Delsaerdt (Pierre), Schwall (Hedwig), Vanysacker (Dries) en Delville (Jean-Pierre) (red.), The Quintessence of Lives. Intellectual Biographies in the Low Countries presented to Jan Roegiers (Bibliothèque de la Revue d'histoire ecclésiastique), Louvain-la-Neuve/Leuven, 2010, pp. 29-42; Id., Joachim Hopperus, een Fries rechtsgeleerde in dienst van Filips II  in  Asaert (Gustaaf) (red.), Recht en instellingen in de Oude Nederlanden tijdens de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Liber amicorum Jan Buntinx (Symbolae Facultatis Litterarum et Philosphiae Lovaniensis, Ser. A, nr. 10), Leuven, 1981, pp. 419-433 [overdruk: Historica Lovaniensia 125, Leuven, 1982, [15] pp.].; Id., Doctrina y oficio del rey según el consejero Hoppero (J. Hopperus)  in  Lias. Sources and documents relating to the early modern history of ideas, dl. 9, 1982, pp. 137-156.

91Hoynck Van Papendrecht (Cornelius Paulus), Vita Viglii ab Aytta Zuichemi ab ipso Viglio scripta, eiusque, nec non Joachimi Hopperi et Joannis Baptist Tassii opera historica aliaque analecta ad historiam scissi Belgii potissimum attinentia (in sex partes divisa), Den Haag, 1743, T. II, pars 2: Joachemi Hopperi Commentarius de tumultibus Belgicis ex Ms. Bibliothecae Archiepiscopalis Mechliniensis, pp. 96-99.

92Ibidem, p. 97. Zie ook in de uitgave door Wauters (Alphonse), Mémoires de Viglius et d'Hopperus sur le commencement des troubles des Pays-Bas, avec notices et annotations (Publications de la Société de l'Histoire de Belgique, 1re série, XVIe siècle, 2), Brussel, 1858 (en facsimile-uitgave Nendeln, 1977), p. 345.

93We geven hier een uittreksel van de tekst zoals hij ook overgeschreven staat in SAM, CC (Uittreksels van het SAM e.a. bronnen), Serie I [stadsarchivaris Gijseleers-Thijs (Bartholomeus), Chronologische Algemeynen aenwyser van het gene in verscheydene boecken, chronycken, manuscripten, stads archieven ende papieren van ambachten, cloosteren, broederschappen, etc., gevonden wordt nopens de Mechelsche geschiedenissen, haere heeren, vermaerde mannen, en op al dat tot dese betrekkelyk heeft, dienende tot vermeerderinge ende verbeteringen der Mechelsche Chronyke door G. D. A. C. Y. B.], band 56 (1565-1567), nr. 110. Voor de uitgave van Azevedo, cfr. infra.

94Abahi(e)r betekent “verbaasd zijn”, ook “bassen, huilen” en “hopen”, maar ook, net als esbayer, “luisteren met aandacht”; het voltooid deelwoord esbahy betekent hier duidelijk “verbaasd”, zoals het hedendaagse ébahi en is dus niet van het tweede woord afgeleid. Zie Roquefort (Jean-Baptiste-Bonaventure), Glossaire de la Langue romane, Rédigé d'après les Manuscrits de la Bibliothèque Impériale, et d'après ce qui a été imprimé de plus complet en ce genre; Contenant l'étymologie et la signification des mots usités dans les XI, XII, XIII, XIV, XV et XVIe siècles, avec de nombreux exemples puisés dans les mêmes sources; et précédé d'un Discours sur l'origine, les progrès et les variations de la Langue françoise. Ouvrage utile à ceux qui voudront consulter ou connoître les Écrits des premiers Auteurs françois, dl. 1, Parijs, 1808, pp. 3 en 488; Dictionnaire universel françois et latin, contenant la signification et la définition Tant des mots de l'une & de l'autre Langue, avec leurs différens usages, que des termes propres de chaque Etat & de chaque Profession. La Description de toutes les choses naturelles & artificielles; leurs figures, leurs espéces, leurs proprietés. L'Explication de tout ce que renferment les Sciences & les Arts, soit Libéraux, soit Méchaniques. Avec des remarques d'Erudition et de Critique; Le tout tiré des plus excellens Auteurs, des meilleurs Léxicograpghes, Etymologistes & Glossaires, qui ont paru jusqu'ici en différentes Langues (vulgairement appellé Dictionnaire de Trévoux), dl. 1 (A-B), Parijs, 1752, kol. 23.

95De door Melanchton opgestelde gematigde en tolerante Augsburgse Geloofsbelijdenis of Confessio Augustana bevatte de kern van de Lutherse leer; Gedeon zegt dus lutheraans te zijn en geen calvinist. Zie Bakhuizen van den Brink (Jan Nicolaas), De Nederlandse belijdenisgeschriften. In autentieke teksten. Met inleiding en tekstvergelijkingen, Amsterdam, 19762 (19401), p. 45; Blockmans (Wim), Karel V. Keizer van een wereldrijk 1500-1558, Utrecht, 2012, hoofdstuk “Geven en nemen”; Honéé (Eugène), Accentverschuivingen in de historiografie van de Augsburgse Rijksdag 1530  in  Nederlands archief voor kerkgeschiedenis, N.S., dl. 56 (1976), nr. 2, pp. 396-412.

96Cuyder of quider en varianten betekent “denken, zich voorstellen, aannemen” e.d. Hier “ze dachten” in de betekenis van “ze waren van plan”. Zie Roquefort (Jean-Baptiste-Bonaventure), Op. cit, dl. 2, Parijs, 1808, p. 419 en dl. 1, Parijs, 1808, p. 328.

97Een woord met verschillende betekenissen: die daar, hijzelf, op die plaats, ... Hier in de betekenis van “daar”. Zie Roquefort (Jean-Baptiste-Bonaventure), Op. cit., dl. 2, Parijs, 1808, p. 3.

98Reusch (Franz Heinich), Surius, Laurentius  in  Allgemeine Deutsche Biographie, dl. 37, Leipzig, 1894, p. 166; Gaens (Tom) en Grauwe (Jan, De), De kracht van de stilte. Geest & geschiedenis van de kartuizerorde, Leuven, 2006, p. 82.

99Surius (Laurentius), Commentarius brevis rerum in orbe gestarum, ab anno salutis 1500. usque in annum 1568. ex optimis quibusq<ue> scriptoribus congestus, & nunc recèns multis locis non parùm auctus & locupletatus, Keulen, 1568, p. 884.

100Cfr. Verheyden (Alphonse L.E.), Vilvoorde. Internationaal repressiecentrum en brandpunt van het zestiende-eeuws protestantisme, Vilvoorde, 1972, p. 66.

101Vader Heinrich Petri had nochtans de keizer kunnen overtuigen van zijn rechtgelovighid en daardoor adelbrieven bekomen in 1556, wat blijkbaar de reden was om zich daarna met de naam Henricpetri te onderscheiden van de mindere verwanten; zie Winger (Howard W.), The Cover Design  in  The Library Quarterly, jg. 35, nr. 1 (jan. 1965), p. 61.

102Zie PETRI, ein Geschlecht zu Basel, von welchem ein Zweig auch den Namen Henrich-Petri oder Henric-Petri annahm  in Ersch (Johann Samuel), Gruber (Johann Gottfried) en Meier (Moritz Hermann Eduard), Allgemeine Encyclopädie der Wissenschaften und Künste in alphabetischer folge, von genannten Schriftstellern bearbeitet. Mit Kupfern und Charten, sectie 3 (O-Z), dl. 19 (PETER (Graf von Gravina) - PEUTELKOFEL), Leipzig, 1844, pp. 295-296.

103Vermaseren (Bernard Antoon), Henricpetri, Adam  in  Neue Deutsche Biographie, dl. 8 (1969), p. 551.

104Zie Id., Der Basler Geschichtsschreiber Dr. Adam Henricpetri (1543–1586) und sein Buch über den niederländischen Aufstand gegen Spanien  in  Basler Zeitschrift für Geschichte und Altertumskunde, jg. 56 (1957), pp. 35–65 (naast pamfletten, verwijst deze naar de werken van Jean le Frère, Jean de Serres, Lancelot Voisin en Philips van Marnix, plus het heel zeldzame Recueil de toutes les choses mémorables (...) van ca. 1568).

105Henricpetri (Adam), Niderlendischer Ersten Kriegen, Empörungen, Zweitrachten, Ursprung, anfang und end, sampt allen dem jenigen, so sich von König Philipps auß Flandern inn Hispanien abscheid, under der Durchleuchtigen und Hochgebornen Hertzogin Margarita von Parma Regentin zu getragen, nachmalen auch zwischen Ferdinanden Aluarez von Toledo Herßogen zu Alba, unnd Wilhelmen von Nassaw Prinßen von Orangien, etc. verlauffen, warhafftige, eigentliche und gewisse Beschreibung, allen Ständen der Welt, zu einem Exempel oder Beyspil für augen gestelt, Bazel, 1575, s.p.

106Zie o.a. Buitendijk (Willem J. C.) en Hoogerhuis (Sietske S.), Marnix van St.-Aldegonde, Philips  in  Bork (Gé J., van) en Verkruijsse (Piet J.) (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs, Weesp, 1985, pp. 373-374; Filips van Marnix. De intellectueel in de politiek  in  Romein (Jan) en Romein-Verschoor (Annie), Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen, Amsterdam, 197712, pp. 131-156; Marnix van St.-Aldegonde, Philips van -, 1540-'98, dichter, prozaschrijver, staatsman, godgeleerde; de rechterhand van Prins Willem  in  Laan (Kornelis, ter), Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid, Den Haag/Djakarta, 19522, pp. 334-335.

107Oosterhof (Gosselinus), La vie littéraire de Marnix de Sainte-Aldegonde et son 'Tableau des differens de la religion', Kampen, 1909 (herduk Genève, 1971) pp. 20-25.

108[Marnix (Philips van), heer van Sint Aldegonde], Vraye narration et apologie des choses passées au Pays-Bas, touchant le fait de la Religion, en l'An M. D. LXVI. par cevs qvi font profession de la Religion reformée audit Pays, s.l., 1567, s.p., passim.

109Recveil de tovtes les choses mémorables aduenues, tant de par le roy , que de par Monseigneur le prince de Condé, Gentils-hom<m>es & autres de sa compaignie, depuis le vingthuitieme d'Octobre, Mil cinq cens soixante sept, iusques à présent, s.l., 1568, pp. 264-265.

110Ook weer in het Latijn, omdat het voor de internationale markt bestemd was, om het nieuwsgierige buitenland een relaas van die tragedies te bezorgen; cfr. Mellet (Paul-Alexis), Les traités monarchomaques. Confusion des temps, résistance armée et monarchie parfaite (1560-1600), Genève, 2007, p. 287.

111De godsdienstoorlogen leidden tot een golf van publicaties met een politiek en historisch karakter, waarin we de kroniek van Jean de Serres moeten situeren, die hiervoor aangemoedigd was door Jean Crespin; zie Gilmont (Jean François), Jean Crespin. Un éditeur réformé dus XVIe siècle, Genève, 1981, pp. 153-154.

112Zie Dardier (Charles), Jean de Serres, historiographe du roi  in  Revue historique, dl. 22 (1883), pp. 291-328 en dl. 23 (1883), pp. 28-76 en Vermaseren (Bernard Antoon), La première édition des commentaires de Jean de Serres  in  Bibliothèque d'Humanisme et Renaissance, dl. 23 (1961), nr. 1, pp. 117-120.

113Serres (Jean, de), III. Partis commentariorvm de statv religionis et reipvblicæ in regno Galliæ, libri VII. VIII. & IX. ad tertii vsque belli civilis Gallici finem postremo pacis Edicto conclusum, Carolo nono Rege, s.l. (Genève), 1571.

114Ibidem, uitgave 1589 (“Emendati & variè locupletati”), pp. 202-203.

115Zie o.a. Les écrits théoriques de La Popelinière  in  Dubois (Claude-Gilbert), La conception de l'histoire en France au XVIe siècle (1560-1610), Parijs, 1977, pp. 124–153, Sypher (George Wylie), La Popelinière's Histoire de France. A Case of Historical Objectivity and Religious Censorship  in  Journal of the History of Ideas, jg. 24 (1963), pp. 41-54 en Yardeni (Myriam), La conception de l'histoire dans l'oeuvre de La Popelinière  in  Revue d'histoire moderne et contemporaine, jg. 11 (1964), pp. 109-126.

116[Lancelot Du Voesin (Henri, seigneur de La Popelinière)], La vraye et entière histoire des troubles: aduenus, tant en France, qu'en Flandres,& pays circonuoisins. Comprinse en dix livres. Dédiéeà la noblesse de France, Keulen, 1571, pp. 11-27 (mei 1567 - juli 1568; verder in het boek nog meer over Oranje).

117Lefrère (Jean) in Michaud (Louis-Gabriel), Biographie universelle ancienne et moderne, ou histoire par ordre alphabétique, de la vie publique et privée de tous les hommes qui se sont fait remarquer par leurs écrits, leurs actions, leurs talents, leurs vertus ou leurs crimes. Nouvelle édition (...),‎ dl. 23 (LAMA - LEHWALD), Parijs/Leipzig, s.a. (1843-18652), p. 607.

118Zie Long (Jacques, Le), Bibliothèque historique de la France; contenant le catalogue de tous les ouvrages tant imprimez que manuscrits, qui traitent de l'histoire de ce roïaume, ou qui y ont rapport. Avec des Notes critiques & historiques, Parijs, 1719, p. 410 en La première édition de l'Histoire de la Popelinière, de 1571. – Les éditions suivantes et les contrefaçons de Le Frère de Laval et Piguerre, 1573-1584 in Bulletin de la Société de l'Histoire du Protestantisme Français (1852-1865), dl. 12 (1863), nr. 6/8 (juni-aug.), pp. 251-255 en bij François Grudé sieur de La Croix du Maine (Grucithanius) in zijn Bibliothèque française uit 1584 en de Dictionnaire des écrivains français van Antoine Du Verdier uit 1585, in de heruitgave Les Bibliothèques françoises de La Croix du Maine et de Du Verdier sieur de Vaudrivas; nouvelle édition (...), resp. dl. 1 (= Bibliothèque française de La Croix du Maine. Tome premier), Parijs, 1772, pp. 498-499 en dl. 4 (= Bibliothèque française de Du Verdier. Tome second), Parijs, 1772, pp. 418-419.

119Frère (Jean, de, de Laval), La vraye et entiere histoire des trovbles et gverres ciuiles, avenuës de nostre temps, pour le faict de la religion, tant en France, Allemaigne que païs bas. Recueillie de plusieurs discours François & Latins, & reduite en dix-neuf liures, Parijs, 1573, f° 124v°. In latere edities veranderde slechts de spelling een klein beetje; zie bijv. in de 4de (verbeterde en aangevulde) uitgave (Parijs, 1576): f° 130r°: “Finablement ils commencent à faire gouster les fruits de leur liberté Caluiniste , c'est à dire d'vne des brides à tout brigandage, & à la rupture des bonnes lois du repos public, rauageans en peu d'heure vne infinité d'Eglises & brisans les images auec loutrage & profanation de toutes choses sacrées.

120Ibidem (ed. 1573), f° 124r°-125r°.

121Het kwam uit de drukkerij van Adam's broer Sebastiaan, maar is van weinig belang en Adam had die periode 1566-'67 toen reeds behandeld; zie Vermaseren (Bernard Antoon), Der Basler (...), p. 52.

122Zie Thompson (Cooper), BIZARI, PIETRO (1530?–1586?), an Italian historian and poet  in  Stephen (Leslie) (red.), Dictionary of National Biography, dl. 5 (Bicheno – Bottisham), New York/Londen, 1886, pp. 103-105 en Bartlett (Kenneth R.), Bizzarri , Pietro (b. 1525, d. in or after 1586)  in  Oxford Dictionary of National Biography, dl. 5, Oxford, 2004, pp. 886-888.

123Bizarus (Petrus), Pannonicum Bellum, sub Maximiliano II. Rom. et Solymano Turcar. imperatoribus gestum. Una, cum Epitome illarum rerum, quae in Europa insigniores gestae sunt et praesertim de Belgarum motibus, ab anno LXIIII. usque ad LXXIII, Bazel, 1573, pp. 189 e.v.

124Ibidem, p. 191.

125Henricpetri (Adam), General Historien Der aller namhafftigsten vnnd Fürnembsten Geschichten, Thaten vnd Handlungen, so sich bey ubergebung vnd ende des Großmechtigsten Keyser Carols des Fünfften, vnd anfange Ferdinanden seines Bruders Regierung: nemlich vom jar M.D.LV. in Geystlichen vnnd Weltlichen sachen, zu Wasser vnd Land, nicht alleyn im Heiligen Romischen Reich Teütscher Nation, Sonder auch in andern anstossenden Konigreichen, als Jtalien, Franckreich, Hispanien, Vngern, Dannmarck, Schweden, Poland, Moscaw, Indien, Türckey, &c. zugetragen vnnd verhandlet worden: (...), Bazel, 1577, [X]-[XII]-DCXV pp.

126Zie Egerton Brydges (Samuel), Censura Literaria. Containing Titles, Abstracts and Opinions of Old English Books, with Original Disquisitions, Articles of Biography, and Other Literary Antiquities, dl. 1, Londen, 1805, pp. 289-291.

127Zie Dunthorne (Hugh), Britain and the Dutch Revolt, 1560–1700, Cambridge, 2013, pp. 16-17.

128A tragicall Historie of the Troubles and Ciuile Warres of the lowe Countries, otherwise called Flanders. Wherein, is sett forthe the originall and full proceedyng of the saied troubles and Ciuile warres, with all the stratagemes, sieges, forceble takynges, and manlike defenses, of diuers and sondrie Cities, Tounes, and Fortresses of the same, together, the Barbarous crueltie and tyrannie of the Spaniard, and trecherous hispaniolized Wallons, & others of the saied lowe Countreis. And there withall, the Estate and cause of religion, especially, from the yere 1559. vnto the yere 1581. Besides many Letters, Commissions, Contractes of Peace, Unions, Articles and Agrementes, published and Proclaimed in the saied Prouinces. Translated out of French into Englishe, by T.S. ge[n]t, Londen, [1583], [6]-139-[1]-67-[6] pp. Het werd gedrukt door Jhon Kyngstong “for Tobie Smith, dwelling in Paules Churchyarde, at the signe of the Crane”. Deze Toby Smith was een boekverkoper; zie Ames (Joseph) en Herbert (William), Typographical Antiquities: Or An Historical Account of the Origin and Progress of Printing in Great Britain and Ireland: Containing Memoirs of Our Ancient Printers, and a Register of Books Printed by Them, From the Year MCCCCLXXI to the Year MDC, dl. 2, Londen, 1786, pp. 1306-1307.

129Cfr. Sanchez (Mark G.), Anti-Spanish sentiment in English literary and political writing 1553-1603. Onuitgegeven doctoraatsthesis Wijsbegeerte UL, Leeds, 2004, p. 114-118.

130Alle relevante literatuur wordt aangehaald in Valkema Blouw (Paul), Of Frisian origin: the 'Chronyc Historie', Noortwitz 1579  in  Croiset van Uchelen (Tom) en Dijstelberge (Paul), Dutch Typography in the Sixteenth Century. The Collected Works of Paul Valkema Blouw, Leiden/Boston, 2013, pp. 99-115.

131Haestig betekende “snel, gehaast” volgens Kiliaen (hij vertaalde het als “Festinus, festinans, properus, citus, citatus”); zie Kiliaen (Cornelis), Op.cit., p. 169. Verdam gaf er ook andere betekenissen voor, zoals “driftig, plotseling, onverwacht”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 23. Gelet op het subitement in de Franse tekst, moeten we hier onder haestig dus “plotseling, onverwacht” verstaan en niet “driftig” of “snel”. Voor de etymologie, zie Wijck (Nicolaas, van), Op. cit., p. 224.

132Chronyc. Historie der Nederlandtscher Oorlogen, Troublen en<de> oproeren oorspronck, anuanck en<de> eynde. Item den Standt der Religien, tot desen Iare 1580. Beschreuen durch den hoochgeleerden Heren Adam Henricipetri, Docteur by den Rechten tot Basel, also hy schriftelick van een Raetshere te Bruessel ontfanghen heft, allen Liefhebberen der Christelicker Religion seer profijtelick ende ten dienste wtghegeuen. VVt den Hoochduytschen in onse Nederlantsche sprake getrouwelick ouèrgesedt. Mitzgaders diuersche Copien va<n> Sentbrieuen, Placcaten, Accoorden van peysen, Vnien, Articlen en<de> Verbontenissen, in Nederlant gepubliceert eu<de>] [sic] wtgegaen. Na de Copie van Basel, Noortwich (= Leeuwarden), 1579 (= 1580), f° 58v°.

133Histoire des trovbles et gverres civiles du Pays-Bas, Autrement dict la Flandre. Contenant l'origine & progres d'icelle, les stratagemes de guerre, oppugnations et expugnations des villes & forteresses, aussi la barbare Tyrannie et cruauté de l'Espaignol,& des Espaignolisez. Ensemble l'Estat & faict de la Religion, especiallement depuis l'An 1559. iusques à l'An 1581. Auec ce plusieurs Missiues, Placcars, Contracts de Paix, Vnions, Articles & Pactions, publiez esdites Prouinces. Le tout departy en quattre Liures, s.l., 1582, p. 104.

134Met “feu M. Rymenams” werd uiteraard de op 19 november 1748 te Diest geboren en op 25 oktober 1840 te Mechelen overleden Jan-Baptist Rijmenans bedoeld, apotheker, secretaris van de locale Medische Commissie en griffier van het Vredegerecht (zie SAM, registers Burgerlijke Stand, overlijdens, jaar 1840, akte 594 – aangifte 26/10/1840). Hij was tevens bibliofiel, bibliograaf, kronijkschrijver, kunstminnaar, Vlaams dichter en letterkundige; zie Heuvel (René, Van den), Een merkwaardige Mechelse figuur uit de 18e eeuw: Apoteker Joannes Baptista Rymenans (1748-1840)  in  Kring voor de geschiedenis van de pharmacie in Benelux. Bulletin, nr. 50 (maart 1975), pp. 9-40.

135Zie Catalogue des livres et manuscrits rares et précieux, ayant formé la bibliothèque de feu M. Rymenams, en son vivant amateur distingué a (sic) Malines. Dont la vente aura lieu à Gand le 6 Juin et jours suivants, le matin à 9 heures et l'après-diner à 2 heures, en la Salle de Saint-Georges, rue Haute-Porte, par FERD. VERHULST, Gent, 1842, (494 pp.) pp. 346-349 (SAM, M 1911 a).

136Zijn toelichting werd enkele jaren later wél opgenomen in de door Sigismund Feyerabend uitgegeven verzamelband Annales, sive historiae rerum Belgicarum. A diversis auctoribus (versa pagina nominatis) ad haec nostra usque tempora conscriptae deductaeq<ue>, et in duos tomos distinctae. Quibus omnium Illarum Provinciarum, Brabantiae, Flandriae, Hannoniae, Hollandiae, Selandiae, Geldriae, Frisiae, aliarumq<ue>, vicinarum Regionum res memorabiles comprehenduntur, lectu propter miras rerum vicissitudines, mutationes, cum utilissimae, tum iucundissimae: praesertim hoc nostro seculo ; cum indice accurato et locupletissimo, 2 dln., Frankfurt am Main, 1580.

137Galle (Philippe), Sommaire annotation des choses plvs memorables aduenues de iour à autre és XVII. prouinces du païs bas , dés l'an LXVI. iusques au premier iour de l'an LXXIX, Antwerpen, 1579, titelblad + [1]-[23]-[1] fos.

138Id., Een cort verhael van de gedincweerdichste saken die in de xcvii. Provincien van de Nederlanden van daghe tot daghe geschiet zijn, sedert den jare ons Heeren M.D.LXVI. totten jare M.D.LXXIX, Antwerpen, 1579, [32] fos.

139Zie Dinaux (Arthur), Philippe Galle in Dinaux (Arthur), Archives historiques et littéraires du Nord de la France et du Midi de la Belgique, reeks 3, dl. 2, Valenciennes, 1851, pp. 388-407 en Schilder (Günter), Een merkwaardige 16e-eeuwse kaart van Midden-Nederland in twee bladen uitgegeven door de familie Galle in Caert-thresoor. Tijdschrift voor de geschiedenis van de kartografie in Nederland, jg. 6 (1987, nr. 4, (pp. 49-53) pp. 49-50.

140Galle (Philippe), Sommaire (...), f° 1r°.

141Zie o.a. Linden (Herman, Vander), VAN DER HAER (Florent) ou HARAEUS, historien  in  Biographie Nationale de Belgique, dl. 26, Brussel, 1936-1938, kol. 339-340; XVII. Floris van der Haer  in  Wind (Samuel, de, Bibliotheek der Nederlandsche Geschiedschrijvers. Eerste deel. Bevattende de inlandsche geschiedschrijvers der Nederlanden, van de vroegste tijden tot op den Munsterschen Vrede (970-1648), Middelburg, 1835, pp. 209-213; Dinaux (Arthur), Biographie départementale. (14e article.) Floris Vander Haer  in  Leroy (Aimé) en Dinaux (Arthur), Archives historiques et littéraires du Nord de la France, Et du Midi de la Belgique, dl. 3, Valenciennes, 1833, pp. 390-397.

142Haer (Florentius, Vander), De initiis tumultuum Belgicorum ad serenissimum D. D. Alexandrum Farnesium Parmæ et Placentiæ Ducem libri duo, quibus eorum temporum Historia continetur, quae à Caroli Quinti Cæsaris morte, usque ad Ducis Albani adventum, imperante Margareta Austria, Parmæ & Placentiæ Duce, per annos novem in Belgio extiterunt, Dowaai, 1587, resp. pp. 248 en 246.

143Zie Gennip (Joep, van), Controversen in context. Een comparatief onderzoek naar de Nederlandstalige controversepublicaties van de jezuïeten in de zeventiende-eeuwse Republiek, Hilversum, 2014, p. 384.

144Verstegen (Richard), Theatrum crudelitatum hæreticorum nostri temporis, Antwerpen, 1587, 95 pp.

145Zie STRADA (Famiano) in Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., dl. 17, 2de stuk, Haarlem, 1874, pp. 1031-1033 en Neumann (Florian), Geschichtsschreibung als Kunst. Famiano Strada S.I. (1572-1649) und die ars historica in Italien (Frühe Neuzeit, 161. Studien und Dokumente zur deutschen Literatur und Kultur im europäischen Kontext), Berlijn/Boston, 2013, 410 pp.

146Strada (Famianus), De bello Belgico decas prima. Ab excessu Caroli V. Imp. Vsque ad initia Præfecturæ Alexandri Farnesii Parmæ, ac Placentiæ Ducis III. Ab An. 1578. Vsque Ad An. 1590, Antwerpen, uitgave 1635, p. 253.

147Vermetendheyd betekent “brutaliteit, onbeschaamdheid”; zie Kiliaen (Cornelis), Op. cit., p. 596 (“arrogantia, confidentia”).

148Strada (Famianus) (vert. Guiliam Van Aelst), De thien eerste boecken der Neder-lantsche oorloghe, Antwerpen, 1646, p. 173.

149Zie in Vermaseren (Bernard Antoon), De katholieke Nederlandsche geschiedschrijving in de XVIe en XVIIe eeuw over den opstand (uitgave doctoraatsthesis Letteren en Wijsbegeerte Nijmegen 1941 / ook fotomechanische herdruk, Leeuwarden, 1981), Maastricht, 1941, pp. 132-134; Wind (Samuel, de), Op. cit., pp. 277-278; Ellinger (Georg), Geschichte der Neulateinischen Lyrik in den Niederländen vom Ausgang des fünfzehnten bis zum Beginn des siebzehnten Jahrhunderts (Geschichte der Neulateinischen Literatur Deutschlands im sechzehnten Jahrhundert ; III, 1. Abt), Berlijn/Leipzig, 1933, pp. 271-272.

150Max. Vignacvrtii Patrit. Atreb. Nobilib. C.R.M. Adlecti in res Belgicas (...): qua summa euentuum ab initio tumultuum descripta; seditionum et calimitatum caussae recensentur: et iisdem sua remedia, ad felicem Remp. in veri Principis Imperio instaurandam, subiiciuntur. Ad Sereniss. Philippvm Hispaniarum Principem, Antwerpen, 1598, [4]-11 fos.

151Wignacourt (Maximilian, de), Discovrs svr l'estat des Pays Bas. Auquel sont deduictes les causes de ses troubles, & calamitez, & leurs remedes, Atrecht, 1593, pp. 13-14.

152Tussen vele andere over de beroerten, cfr. Gennip (Joep, van), Op. cit., p. 381.

153Zie o.a. Janssen (Antoon Edmond Maria), Pieter Bor Christiaenszoon (1559-1635), geschiedschrijver van “waerheyt ende onpartijschap”  in  Geurts (Pieter Antoon Maria) en Janssen (Antoon Edmond Maria) (red.), Geschiedschrijving in Nederland. Studies over de historiografie van de Nieuwe Tijd, dl. 1, 's-Gravenhage, 1981, pp. 21-38; Id., A “trias politica” on the revolt of the Netherlands: Emanuel van Meteren, Pieter Bor and Everhard van Reyd as exponents of contemporary historiography in Duke (A. C.) en Tamse (C. A.) (red.), Clio's mirror. Historiography in Britain and the Netherlands. Papers delivered to the eight Anglo-Dutch historical conference (Britain and the Netherlands, 8), Zutphen, 1985, pp. 9-30; Lancée (J.A.L.), Pieter Bor: volksopvoeder en “Rijksgeschiedschrijver”  in  Maatstaf: maandblad voor letteren, jg. 28 (1980), afl. 11, pp. 95-104.

154Bor (Pieter Christiaenszoon), Oorspronck, begin ende aenvang der Nederlantscher oorlogen, beroerten ende borgerlijcke oneenicheyden. Warachtighe ende historische beschrijvinge, Utrecht, 1595, f° 57v°.

155Berdah (Jean-François), Eßer (Raingard), Moll (Martin) en PPult Quaglia (Anna Maria), Regional History in Austria, France, Italy, the Netherlands and Spain  in Ellis (Steven G.) en Eßer (Raingard) met Berdah (Jean-François) en Řezník (Miloš) (red.), Frontiers, regions and identities in Europe (Thematic work group. 5. Frontiers and identities; 4), Pisa, 2009, p. 30.

156Savornin Lohman ([Witius Hendrik], de), GROEN VAN PRINSTERER (Mr. Guillaume)  in  Molhuysen (Philip Christiaan) en Blok (Petrus Johannes) (red.), Op cit., dl. 2, Leiden, 1912, kol. 508-520; PRINSTERER (Guillaume Groen van), beroemd staatsman en geschiedkundige  in  Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit, dl. Bijvoegsel, Haarlem, 1878, pp. 402-406; Groen van Prinsterer (Mr. Guillaume)  in  Branden (Frans Josef, van den) en Frederiks (Johannes Godefridus), Op. cit., pp. 299-300; Deursen (A.Th., van), Groen van Prinsterer, Guillaume (1801-1876)  in  Biografisch Woordenboek van Nederland, dl. 2, Den Haag, 1985, pp. 508-520.

157Groen van Prinsterer (Guillaume), Kort overzigt van de geschiedenis des vaderlands, Leiden, 1841, p. 31: De regtmatige afkeer van beeldendienst en afgoderij was geene genoegzame ontschuldiging van zulk een onwettig en ongeregeld bedrijf, (...)”; Id., Handboek der geschiedenis van het vaderland, Leiden, 1846, p. 133: “De beeldenstorm werd afgekeurd door vele Protestanten, die wel de zuivering der kerken wenschelijk achtten, doch die, te regt, van oordeel waren dat de Overheid daarbij had moeten worden gekend”.

158Zi KKaptein (Herman), Op. cit., pp. 82-83.

159Over Heuterus (en de eerder vermelde Surius), zie in Vermaseren (Bernard Antoon), De katholieke (...), passim; 223 Heuterus, Pontus  in  Haitsma Mulier (Eco O.G.) en Lem (G. Anton C., van der), Repertorium van geschiedschrijvers in Nederland 1500-1800, Den Haag, 1990, pp. 184-185.

160Bakhuizen van den Brink (Reinier Cornelis), I. Hendrick graaf van Brederode, mede-grondlegger der Nederlandsche vrijheid, verdedigd door Mr. M.C. van Hall, Staatsraad, enz. Met Platen. Amsterdam, Johannes Müller, 1844. XVI, 241 blzz. 8o. / II. Antwoord aan mr. M.C. van Hall, staatsraad, enz. (over a. Hendrick, Graaf van Brederode; b. Uitgave van Brieven; c. Historische Kritiek), door Mr. G. Groen van Prinsterer. Leiden, S. en J. Luchtmans. 1844. 104 blz. 8o  in  De Gids, jg. 9, dl. 1 (Boekbeoordelingen), Amsterdam, 1845, p. 290.

161Zie Hauser (Henri), 194. Heuterus (Pontus), Opera historica omnia, Burgundica, Austriaca, Belgica..., Louvain, 1651 [note bibliographique] in Les Sources de l'histoire de France - Seizième siècle (1494-1610), dl. 1 (1906), nr. 1, p. 89.

162Ponti Heuteri, Delfii, Præposito Arnhemensis, Opera historica omnia; Burgundica, Austriaca, Belgica: De rebus a Principibus Burgundis atque Austriacis, qui Belgis imperarunt, pace belloq<ue> praeclare gestis. Insertus est eiusdem De vetustate et nobilitate familiæ Habspurgicæ et Austriacæ Liber singularis. Accessereq<ue> De Veterum ac Sui Sæculi Belgio Libri duo; aliáque. Nunc primùm simul edita, operâ atque industriâ Viri docti recensita, & Capitibus distincta. Editio ultima & auctior, Leuven, 1651. De derde druk (Den Haag, 1725) is de meest volledige, want die bevat de “Historia secessionis Belgicae” als boek 16, 17 en 18 van de Rerum Austriacarum onder de titel: “Rerum Austriaco-Belgicarum tomus secundus, Secessiones continens Belgicas”. Uit de tweede druk werd dit gedeelte over de periode 1560-1569 verwijderd op bevel van de regering, zodat er van deze zowel exemplaren zijn met als zonder boeken 16-18 (ook het exemplaar in het SAM [algemene bibliotheek nr. 29, uit de bibliotheek van de Grote Raad [op het titelblad staat bijgeschreven: “Au Grand Conseil”], is zo “verminkt”). Op p. 447 voegde de uitgever er nog aan toe dat het nagelaten handschrift moest gebruikt worden: “Huc usque ex autographo Auctoris, quod quidem reliquum fuit. Nam ulterius Historiam hanc deduxisse certum est ipsaque non uno loco significat. Utere interim his, benevole Lector, dum bona aliqua Fortuna et reliqua, quae adhuc desiderantur, publico bono in lucem proferet.

163Ponti Heuteri Præpositi Arnhemensis Rerum Austriaco-Belgicarum tomus secundus, Secessiones continens Belgicas, Nunc primùm publicâ luce donatus (Opera Omnia, Leuven, 1651, pp. 385-454), p. 404.

164Zie Autenboer (Eugeen, Van), De houding der Nederlanders en bizonder der Mechelaars tegenover de Spaansche troepen in 1560  in  Mechelsche Bijdragen, jg. 10 (1943), nr. 3-4, pp. 87-98. Hij heeft het over de karige informatie bij onze lokale kroniekschrijvers Azevedo, Cuypers, Gootens en Van de Coelput en beweert dat er in andere letterkundige bronnen geen sprake van is, maar vergat dus bij Heuterus te kijken. Van Autenboer gebruikte de stadsrekening 1560-'61 [SAM, B. Stadsrekeningen. Serie I, nr. 236 (01/09/1560 - 31/08/1561)] wel in zijn artikel, maar vergat twee betalingsposten op fol. 312r te vermelden, over ermee verband houdende gebeurtenissen van enkee dagen eerder en (vermoedelijk) later: Betaelt Jannen de Backere ter causen van tgereedschap en<de> wapenen vanden Spaengiaerts van hier tAntwerpen gevuert thebbene mitsgaders voir doversetten van<den> selven Spaengiaerts alhier p<er> ordon<nantie> ende quitan<tie> - 6 l. 6 s. (in pond Artois)  en  Betaelt den weerdt inde Gulden ploech van biere en<de> anderssins gehaelt den 7en octobris 60 opt stadthuys als alle de guldebruers aldaer waecten deur de co<m>motie van<den> Spaengiaerden mitsgaders alsmen de mr. van<den> schermers maecte compt tsaemen p<er> ordon<nantie> en<de> quitan<tie> - 4 l. 8 s. 8 d..

165Een vendel is de oude naam voor een compagnie, een basiseenheid dus; zo'n afdeling soldaten stond immers onder één eigen vaandel (turma militum sub uno vexillo militantium); zie Verwijs (Eelco) en Verdam (Jacob), Op. cit., dl. 8, 's-Gravenhage, 1916, kol. 1153 en Woordenboek der Nederlandsche taal, dl. 18, s-Gravenhage/Leiden, 1958, kol. 1666-1674.

166Aldus Autenboer (Eugeen, Van), De houding (...), p. 92. In de kroniek van jonker Cuypers de Rijmenam (cfr. infra) staat een andere datum: “Den 6 <septem>ber 1560 quamp eenen Troupp Spaignaerts binnen Mechelen aldaer maeckende eenen oploop maer wie[r]t met ghewelt daer uyt gedreven“ (p. 481).

167Zie Marichalar (Antonio), Julián Romero, Madrid, 1952, 530 pp.; Id., Segunda salida de Julián Romero in Revista de Historia Militar, jg. 1, nr. 1, Madrid, 1957, pp. 81-114; Fagel (Raymond), Julián. Un héroe español en Flandes: entre el príncipe de Orange y el duque de Alba  in  Vermeir (René), Ebben (Maurits) en Fagel (Raymond) (red.), Agentes e identidades en movimiento. España y los Países Bajos. Siglos XVI-XVIII, Madrid, 2011, pp. 271-289; Id., Kapitein Julián. De Spaanse held van de Nederlandse Opstand (Zeven Provinciën Reeks, 30), Hilversum, 2011, 104 pp.; ROMERO (Juliaan), Kapitein der Spaansche benden  in  Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit, dl. 16, Haarlem, 1874, pp. 440-441; Lonchay (Henri), ROMERO (Julian), officier espagnol du XVIe siècle  in  Biographie Nationale, dl. 19, Brussel, 1907, kol. 916-920.

168Met een of andere voorloper van een geweer. Een sclopetum (of sclopetus in andere woordenboeken) was een musket, een sclopetarius een musketier; goed voor de infanterie, maar voor de cavalerie was een musket te lang en werd de karabijn ontwikkeld, zodat men dan sprak van equestre sclopetum voor een karabijn en equester sclopetarius vooor een karabinier of “peêrde-ruyter”. Cfr. Pomey (François), Op. cit., pp. 127 en 379. Tot in de zeventiende eeuw werd ook de haakbus gebruikt, die Kiliaen sclopus noemde en ook een haakbusschutter nooemde hij een sclopetarius; een musket was bij hem een sclopus maior (of tormentum minus in een omgekeerde vergelijking), maar ook “musketier” vertaalde hij als sclopetarius. Zie Kiliaen (Cornelis), Op. cit., pp. 167 en 329. Andere oude woordenboeken vertaalden sclopetus als “haakbus, karabijn, musket”. Zie Dictionnaire universel françois et latin, (...), dl. 6 (T-Z), 2de stuk: Dictionarium universale Latino-Gallicum, universali dictionario Gallico-Latino relativum ac plane conciliatum, Parijs, 1743, letter S, p. 13. Ook John Minsheu gaf zowel voor “Busschieter” (een “Arquebuster” met een haakbus) als voor “Muscheteier” in het Latijn Sclopetarius op; zie Minsheu (John), Minshæi Emendatio, vel À mendis Expurgatio, seu Augmentatio sui Ductoris in Linguas, The Guide into Tongues. Cum Illarum Harmonia, & Etymologijs, Originationibus, Rationibus, & Derivationibus in omnibus his novem Linguis, viz. 1. Anglica, 2. Belgica, 3. Germanica, 4. Gallica, 5. Italica, 6. Hispanica, 7. Latina, 8. Græca, 9. Hebræa &c. Quæ etiam (...). The guide into tongues. With their agreement and consent one with another, as also their Etymologies, that is, the Reasons and Derivations of all the most part of words, in these nine Languages, viz. (...), Londen, 1627, kol. 40 en 484. M.a.w., het woord is niet zo eenduidig en dus moeilijk te vertalen; het was een vuurwapen. Voor de duidelijkheid zou men een onderscheid moeten maken tussen de originele sclopus [of varianten sclopetus/-um] (haakbus, een handbus met een haak om de terugstoot op te vangen), een sclopus maior (het zwaardere musket) en equestre sclopetum (de ingekorte karabijn), maar dat zou anachronistisch zijn, want in Latijnse teksten werd dat onderscheid niet altijd gemaakt. Ook het vuurroer was zo'n verkleinde, lichtere uitvoering van een musket. Sclopus is zelf maar een uitgevonden woord, volgens Polydorus Vergilius afgeleid van het geluid van ploffende kaken, dat de Romeinse dichter Aulus Persius Flaccus sclopus genoemd had. Cfr. Hock (Klaus) en Mackenthun (Gesa), Entangled Knowledge. Scientific Discourses and Cultural Difference (Cultural encounters and discourses of scholarship, 4), Münster/New York/München/Berlijn, 2012, p. 143 en Donkin (T. C.), An Etymological Dictionary of the Romance Languages; chiefly from the German of Friedrich Diez, Londen, 1864, p. 391. De oudste voorloper van het geweer was het colovere < Latijn colubra (slang), wat eerder een klein kanon met lange dunne loop was, een “handkanon” dus of “handbus” (de Mechelse Sint-Christoffel- of Kolveniersgilde bestond al sedert 1453 als een eenvoudig genootschap rond dat wapen en kreeg in 1504 gilderechten; zie Steurs (Vaast), Huizen der gilden te Mechelen  in  Mechelsche Bijdragen, jg. 4 (1937), p. 144). Cfr. Verdam (Jacob), Op. cit., p. 301, die naast de eerste definitie weer “vuurroer” opgeeft als synoniem, i.p.v “handbus”. Hij gaf “handbus” en “vuurroer” trouwens ook als synoniemen voor haeckbusse en cnipbusse (Ibidem, pp. 298 en 301). Het is allemaal heel verwarrend, wat misschien niet alleen te verwijten valt aan de woordenboekmakers, maar ook aan het feit dat de gebruikte terminologie niet altijd en overal netjes de technologische evolutie volgde, met dan nog eens zovele synoniemen en in zovele talen met de gebruikelijke verbasteringen. Voor wat verduidelijking (met verdere literatuuropgave), zie de publicaties van Kempers (R. T. W.), Antieke vuurwapens, Bussum, 1973, 237 pp., Id., Haakbussen uit Nederlands bezit  in  De wapenverzamelaar. Tijdschrift van de Vereniging van Nederlandse wapenverzamelaars, jg. 13 (1975), pp. 3-27 en Id., Haakbussen uit Nederlands bezit  in  Armamentaria, dl. 11 (1976), pp. 75-97.

169Een armamentarium is een wapenkamer of wapenhuis (wapentuig is armamentum). Cfr. Adam (Alexander), A compendious dictionary of the Latin tongue: for the use of public seminaries and of private students, Edinburgh, 1805, p. 45, Kiliaen (Cornelis), Op. cit., p. 653 en zie Minsheu (John), Op. cit., kol. 39-40 (“Armamentarium, quia armamenta ibi servantur”). Hier staat echter duidelijk armamentatio met een “t” in de laatste lettergreep; een vergissing van de schrijver of drukker dus. Het is een modern woord (Neo-Latijn), het klassiek Latijn kende slechts: armarium (afgeleid van arma), dat oorspronkelijk ook “arsenaal” moet betekend hebben, welke betekenis dan gereserveerd werd voor armamentum; zie Ernout (Alfred) en Meillet (Antoine), Dictionnaire Etymologique de la Langue Latine. Histoire des mots, Parijs, 19513, dl. 1 (A–L), p. 83.
Het Mechels arsenaal (een van het Frans afgeleid woord) was een grote opslagplaats, in 1551 officieel opgericht als algemeen depot voor de Nederlanden. Tijdens de beeldenstorm werd het gedurende acht dagen en nachten bewaakt, zoals de landvoogdes op voorhand bevolen had, opdat de opstandelingen zich niet naar believen zouden kunnen bewapenen; zie R
oosens (Bernhard), Het arsenaal van Mechelen en de wapenhandel (1551-1567)  in  Bijdragen tot de Geschiedenis (bijzonderlijk van het aloude hertogdom Brabant), jg. 60, afl. 3-4, Antwerpen, 1977 (overdruk: Studia historica Gandensia nr. 229, Gent, 1978), p. 185 (de studie concentreert zich verder rond het grotere geschut van de artillerie, maar er werden ook uitrustingen en wapens voor de ruiterij en het voetvolk bewaard).

170Hij geeft wat extra informatie door het wapen een tormentum maior te noemen (uit het arsenaal van de koning dus), maar ook dat is niet zo duidelijk. Het is eerder een beschrijving dan een naam. Voor Minsheu was artillerie “tormenta ænea” (bronzen geschutstukken), een haakbus of sclop(p)us noemde hij ook een “Tormentarium manuarium, (tormentum, q. terrementum, à terrendo.)” want dat kon je in de hand houden en een musket “Еst Bombarda maiuscula, seu Sclopus maior, Tormentum minus”; zie Minsheu (John), Op. cit., kol. 40-41 en 484. We krijgen dus de indruk dat er wat groter geschut mee bedoeld zou kunnen zijn (maior i.p.v. minus), maar dat woog heel zwaar en is in tegenspraak met zijn eerdere “sclopetis”. Vermits haakbussen alweer wat uit de tijd waren en omwille van zijn omschrijving maior, houden we het op musketten (ook al heeft de literatuur het meestal over haakbusschieters), maar zeker is het niet (wat is trouwens de garantie dat Heuterus het juist wist?). Men mag ook niet vergeten dat Minsheu niet meer zo geprezen wordt als weleer, maar eerder beschouwd wordt als een amateuristische verzamelaar van linguistisch materiaal en etymologische verklaringen, zonder eigen rigoureuze intellectuele analyse; zie Schäfer (Jürgen), John Minsheu: Scholar or Charlatan?  in  Renaissance Quarterly, dl. 26, nr. 1, Chicago, (lente) 1973, pp. 23-35. Tot slot willen we nog opmerken dat men zich van dichtbij beter met een musket dan met een kanon kon verdedigen; zie Wolff (Christiaan) (vert. Joan Christoffel van Sprögel), Grond-beginzelen van alle de mathematische weetenschappen, Tweede deel Bevattende De bouwkonst, artillerie, fortificatie, mechanica, hydrostatica, aerometria, en hydraulica, Amsterdam, 1738, pp. 269-270.

171Hij werd in 1570 zelf opgehangen wegens ambtsmisbruik, zie Foncke (Robert), Een Schimprijmpje op Jan Spelleken  in  De Brabantsche Folklore. Bulletijn van den Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen in Brabant, jg. 17, nr. 99-100, Brussel, jan.-maart 1938, pp. 277-278. Volgens de kroniek van Hendrik van den Coelput (De beschryvinghe (...), p. 112), waar Foncke het rijmpje haalde, was het op 02/02/1570; deze moet het echter overgeschreven hebben uit de oudere kroniek van Cornelis Vermeulen (T'naer volgen (...), p. 92), waar we lezen: “int jaer 1570. op den 11 feb. die justitie was over Graven en Heeren, soo wert Spelle gedwongen hangen te leeren”. Pieter Corneliszoon Hooft maakte ervan: “in't eerst van Sprokkelmaandt des jaars neeghenentsestigh”; zie P. C. Hoofts Nederlandsche Historien, Seedert de Ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Kaarel den Vyfden op Kooning Philips zynen Zoon, tot de doodt des Prinsen van Oranje. Met het Vervolgh Tot het einde der Landtvooghdye des Graaven van Leicester, Amsterdam, 1673, p. 203.

172Over de terechtstelling van predikant Martijn De Smet (vernoemd onder de beeldenstormers in de kerk van Walem) te Walem, door ingebieder Hans Grobels, bijgenaamd Spelle(ken) of Roode Roede, zie Woestijne (Paul, van de), Art. cit., pp. 215-295 (in 't bijzonder pp. 243-246). Zie bijv. ook de vermelding van “Jan Grobels, anders genoemt Spelt, Provoost ende Executeur van de crimineele Executie” in Knap (Willem W.G.zoon), Prins Willem I (De Zwijger). Fragmentarische schetsen uit het leven van de groote historische figuur uit den door onze voorouders gevoerden onafhankelijkheidsstrijd tegen de Spaansche overheersching, Arnhem, 1933, p. 191.

173Ponti Heuteri (...), pp. 406-407.

174Wegele (Franz Xaver, von), Isselt, Michael von in Allgemeine Deutsche Biographie, dl. 14, Leipzig, 1881, p. 641.

175Wind (Samuel, de), Op. cit, p. 213-216; Kampen (Nicolaas Godfried, van), Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden, van de vroegste tijden af, tot op het begin der negentiende eeuw, dl. 3 (Bijvoegsels en algemeen register), Delft, 1826, p. 71 (N.B.: N. G. van Kampen was zelf een mennoniet).

176Isselt (Michael, van), Svi temporis historia, In qua res in toto orbe terrarum gestæ, tum præcipuè motuum Belgicorum sub Philippo II. Hispaniarum Rege, &c. concitatorum origo & successus vsque ad annum M.D.LXXXVI. perspicuè et accuratè describuntur. Cum Indice rerum & verborum copiosis, Keulen, 1602, pp. 69-70.

177Zijn wedde hiervoor bedroeg 673 gl.; zie Seur (Jean, de), La Flandre illustrée par l'institution de la Chambre du Roi à Lille, l'an 1385., par Philippe le Hardi, Duc de Bourgogne, &c. Laquelle (...), Rijsel/Brussel, 1713, p. 160.

178Cantillon (Philippe, de), Delices du Brabant et de ses Campagnes, ou Description des Villes, Bourgs & principales Terres Seigneuriales de ce Duché; Accompagnée des Evenemens les plus remarquables jusqu'au tems présent, dl. 4, Amsterdam, 1757, p. 85; Livre III. Dissertation sur l'Etablissement, Preéminences, & Prérogatives du Grand Conseil residant à Malines  in  Supplement aux trophées tant sacrés que profanes du Duché de Brabant, de Mr. Butkens. Traduit & Recueilli des meilleurs Historiens de Brabant, & tiré pour une grande partie des Archives dudit Païs. Et rempli d'une grande quantité de Figures graéées en taille-douce, dl. 2, Den Haag, 1726, p. 308.

179Motley (John Lothrop) (vert. R. C. Bakhuizen van den Brink), De opkomst van de Nederlandsche Republiek, dl. 1, 's-Gravenhage, 1859, p. 221 (18602, p. 224; 18663, p. 196) en in de originele Engelstalige versie: Motley (John Lothrop), The rise of the Dutch republic. A History, dl. 1, New York, 1856, p. 327 (dl. 1 , Londen, 18582, pp. 285-286).

180Aangehaald in de beschrijving bij het exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek, zie Bibliotheca Hulthemiana, ou Catalogue Méthodique de la riche et précieuse collection de livres et de manuscrits délaissés par m. Ch. van Hulthem, (...), Vol. VI. Manuscrits, Gent, 1837, pp. 84-85 (nr. 286); Sanderus (Antonius), Bibliothecæ Belgicæ manuscriptæ pars secunda (deel 2 van Bibliotheca Belgica manuscripta, sive, Elenchus universalis codicum mss. in celebrioribus Belgii Cœnobiis, Ecclesiis, Urbium, ac Privatorum Hominum Bibliothecis adhuc latentium), Rijsel, 1644, p. 131: “Opus hoc magna parte crediderim ego desumptum ex adversariis, schedisque politicis Christophori ab Assonlevilla, per annos plurimos regii in sanctione statusque consilio senatoris, prudentia et rerum Belgicarum cognitione clarissimi viri itidem integerrimi.

181Over hem, zie Baelde (Michel), De collaterale raden onder Karel V en Filips II (1531-1578). Bijdrage tot de geschiedenis van de centrale instellingen in de zestiende eeuw (Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse academie voor wetenschappen, letteren en schone kunsten van België. Klasse der letteren, 60), Brussel, 1965, pp. 92 en 227; Durme (M., Van), ASSONLEVILLE (ASSONVILLE, DASSONVILLE) Christoffel d', Zuidnederlands staatsman, diplomaat en jurist  in  Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. 2, Brussel, 1966, kol. 16-19; Britz [Jacques], ASSONLEVILLE (Christophe D’) ou ASSONVILLE ou DASSONLEVILLE, chevalier, seigneur de Hauteville, baron de Bouchaut, docteur en droit, membre du conseil privé et du conseil d’état, trésorier de la Toison d’or et diplomate  in  Biographie Nationale, dl. 1 (A-B), Brussel, 1866, kol. 507-513; ASSONLEVILLE of ASSONVILLE (Christoffel van), Baron van Bouchout  in  Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., dl. 1, Haarlem, 1852, pp. 428-429.

182Meteren (Emanuël, Van), Oorlogen en geschiedenissen der Nederlanderen en derzelver nabuuren. Vercierd met de Portraiten der voornaamste Personadiën van dien tyd. Derde druk. Vierde deel, Amsterdam, 1786, pp. 181-182.

183Er bestaat veel verwarring in de literatuur (Margaretha wordt een dochter van Christoffel genoemd of een dochter van Karel), maar het staat correct en uitvoerig beschreven bij Galesloot (Louis), Le Domaine de Bouchout près de Bruxelles. Quelques souvenirs historiques. IV. Les de France  in  Messager des sciences historiques ou Archives des arts et de la bibliographie de Belgique, Gent, 1880, pp. 419-433 (volledig artikel pp. 265-296 en 413-458). In 't kort bij Wauters (Alphonse), Notice sur le chateau de Bouchout  in  Messager des sciences historiques de Belgique, Gent, 1843, (pp. 117-127) p. 124.

184Bij patentbrief van de koning van 10 mei 1640 werd die heerlijkheid opnieuw verheven tot baronie en kreeg ridder Jérôme-Gaspard de France de erfelijke titel van baron; zie Galesloot (Louis), Inventaire des archives de la Cour Féodale de Brabant, dl. 1, Brussel, 1870, p. 17 (uit het Hooft-leenboek).

185Wauters (Alphonse), Histoire des environs de Bruxelles ou description historique des localités qui formaient autrefois l'ammanie de cette ville, dl. 2, Brussel, 1855, p. 289.

186Britz [Jacques], ASSONLEVILLE (Guillaume D’)  in  Biographie Nationale, dl. 1 (A-B), Brussel, 1866, kol. 513.

187Godefroy [Denis Joseph, ] en Dufaitelle (Antoine-François), Archives des anciens Comtes de d'Artois  in  Leroy (Aimé) en Dinaux (Arthur) (red.), Archives historiques et littéraires du Nord de la France et du Midi de la Belgique, N.R., dl. 1, Valenciennes, 1837, (pp. 151-164) p. 158.

188Over nog andere leden van de familie de France dan de hier aangehaalde, zie Borcht (P. E., de) [pseudoniem van Joseph Romain Louis De Kerckhove], Mémoire historique et généalogique de la très-ancienne noble maison de Kerckhove; traitant spécialement de la branche de Kerckhove dite Van der Varent; rédigé d'après d'anciens manuscrits et d'autres documens authentiques. Nouvelle édition, corrigée, complétée et augmentée des autres branches de la maison de Kerckhove; par un descendant de cette maison, Antwerpen, 1839, p. 164.

189Stroobant (Louis), Les Magistrats du Grand Conseil de Malines in Annales de l'Académie Royale d'Archéologie de Belgique, dl. 54 (reeks 5, dl. 4), afl. 4, Antwerpen, 1902, pp. 423-615 (p. 54 van overdruk Antwerpen, 1903); Matthieu (Albert), Histoire du Grand Conseil de Malines in Annales de l'Académie Royale d'Archéologie de Belgique, dl. 30 (reeks 2, dl. 10), Antwerpen, 1874, p. 371; Livre III. Dissertation (...), p. 317.

190Bij benoemingsbrief van 1 oktober 1605. Zie Compte-rendu des séances de la Commission Royale d'Histoire, ou recueil de ses bulletins. Tome V. (3 juillet 1841 – 6 août 1842.), Brussel, 1842, p. 5.

191Vegiano (Jean Charles Joseph, de), Nobiliaire des Pays-Bas et du Comté de Bourgogne, contenant les Villes, Terres & Seigneuries, érigées en titre de Principauté, Duché, (...) depuis le Règne de Philippe le Bon (...) jusqu'à la mort de l'Empereur Charles VI. (...), dl. 1, Leuven, 1760, pp. 78-79.

192Courcelles (Jean Baptiste Pierre Jullien, de), Dictionnaire universel de la noblesse de France, dl. 3 (A-M), Parijs, 1821, p. 396.

193Reiffenberg (Frédéric Auguste Ferdinand Thomas, de), Recueil héraldique et historique des familles nobles de Belgique, Antwerpen, s.a. (1835), p. 206.

194Galesloot (Louis), Le Domaine de Bouchout (...), p. 421; Livre III. Dissertation (...), p 310.

195Broye (de la), Recueil généalogique de familles originaires des Pays-Bas ou y établies, Rotterdam, 1775, pp. 257-258.

196Reiffenberg (Frédéric, de), Op. cit., pp. 205-209.

197Id., Op. cit., pp. 208-209.

198Tems (Hugues, du), Le clergé de France, ou tableau historique et chronologique des Archevêques, Evêques, Abbés, Abbesses & Chefs des Chapitres principaux du Royaume, depuis la fondation des Eglises jusqu'à nos jours, dl. 4, Parijs, 1775, p. 171 (“Avesnes” pp. 169-172).

199Over haar, zie Broye (de la), Op. cit, p. 96 en [Dumont], Fragmens généalogiques, dl. 1, Genève, 1776, p. 117.

200SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 155 (huwelijken St.-Jan Baptist en Evangelist 1519-1573, 1576-1579 en 1588-1610), p. 182.

201Galesloot (Louis), Le Domaine de Bouchout (...), pp. 420-421.

202Dictionnaire de la noblesse, contenant les Généalogies, l'Histoire & la Chronologie des Familles Nobles de France, l'explication de leurs armes, & l'état des grandes Terres du Royaume, (...), dl. 2, Parijs, 17712, p. 714.

203Vegiano (Jean Charles Joseph, de), Op. cit., pp. 143-144.

204Volgens het canoniek recht een verwantschap in de derde graad, waarvoor dispensatie vereist was.

205In de betekenis van goed uitgerust, met allerlei gewapende gilden tot hun beschikking.

206Het gaat om Hendrik Lavaerts of Lauwaerts, zie Verkerken (Daniël) en Grootaers (Werner), Repertorium ordinis fratrum sancti Augustini : provinciae Coloniae – provincia Belgica 1252-1995 (Instrumenta augustiniana, 1), Leuven-Heverlee, 1996, p. 273.

207Piot (Charles) (uitg.), Histoire des troubles des Pays-Bas par Messire Renon de France, dl. 1, Brussel, 1886, p. 133.

208Poullet (Edmond) (uitg.), Correspondance du cardinal de Granvelle, 1565-1586 (Collection de documents inédits sur l'histoire de Belgique. Collection des chroniques belges inédites), dl. 1, Brussel, 1877, pp. 430 en 442.

209Piot (Charles) (uitg.), Histoire (...), dl. 1, pp. 131-132.

210Verduyn (Wouter Dirk), Emanuel Van Meteren. Bijdrage tot de kennis van zijn leven, zijn tijd en het ontstaan van zijn geschiedwerk (uitgave van doctoraatsproefschrift Letteren en Wijsbegeerte Rijksuniversiteit Leiden 1926), 's-Gravenhage, 1926, pp. 147-149.

211Meteren (Emanuel, Van), Historie der Nederlandscher ende haerder Na-buren Oorlogen ende geschiedenissen, tot den iare M.VIc.XII. Nu (...), 's-Gravenhage, 1614, f° 45r°.

212Burgundius (Nicolaus), Historia Belgica, Ab anno M. D. LVIII, Ingolstadt, 1629, p. 230.

213MIRAEUS (Aubertus) of MIRE (Aubert le)  in  Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., dl. 12, stuk 2, Haarlem, 1869, pp. 878-884.

214Cfr. 46. Aubertus Miraeus (1573-1640). Biografica en relatie met Lipsius  in  Landtsheer (Jeanine, de), Sacré (Dirk) en Coppens (Chris) (red.), Justus Lipsius (1547-1606). Een geleerde en zijn Europese netwerk. Catalogus van de tentoonstelling in de Centrale Bibliotheek te Leuven, 18 oktober - 20 december 2006 (Supplementa Humanistica Lovaniensia, 21), Leuven, 2006, pp. 371-377.

215Zie Langereis (Sandra), Geschiedenis als ambacht. Oudheidkunde in de Gouden Eeuw : Arnoldus Buchelius en Petrus Scriverius (Hollandse Studiën, 37), Hilversum, 2001, p. 96.

216Zie Mitzschke (Paul), Struve: Burkhard Gotthelf St., Polyhistor, besonders Historiker  in  Allgemeine Deutsche Biographie, dl. 31 (Steinmetz - Stürenburg), Leipzig, 1893, pp. 671–676  en  Struve (Burchard Gotthelff) in Zedler (Johann Heinrich), Grosses vollständiges Universal-Lexicon Aller Wissenschafften und Künste, Welche bißhero durch menslichen Verstand und Witz erfunden und verbessert worden. Darinnen (...), dl. 40 (Sti - Suim), Leipzig, 1744, kol. 1095–1108.

217Struve (Burkhard Gotthelf), Selecta Bibliotheca historica secundum monarchias, regna secula et materias distincta, Jena, 1705, p. 358. Veel meer was er toen niet beschikbaar, cfr. hier “§. VI. Scriptores qui ad generalem Belgii historiam faciunt” op pp. 358-361 binnen “Caput decimum qvintum. De scriptoribvs rerum Belgicarum” op pp. 353-390.

218 Miræus (Aubertus), Rerum Belgicarum chronicon ab Iulii Cæsaris in Galliam adventv vsque ad vulgarem Christi annvm M. DC. XXXVI. in qvo Belgarum res Ecclesiasticæ & Politicæ, per mille septingentos ferè annos cum exterorum Historia compositæ, ad exactam Temporum rationem reuocantur, reiectisque fabulis, ex fide classicorum cuisque sæculi Scriptorum ac veterum Diplomatum, solidè adstruuntur, & vari illustrantur. Ad Ferdinandvm Avstriacvm Hisp. infantem Belgicæ proregem, Antwerpen, 1636, p. 421.

219Over de werken van pater van Teylingen, zie in Gennip (Joep, Van), Controversen in context. Een comparatief onderzoek naar de Nederlandstalige controversepublicaties van de jezuïeten in de zeventiende-eeuwse Republiek, Hilversum, 2014, pp. 307-401. Deze auteur noemt de pater nog wél als schrijver van de Op-comste.

220Pater Herman Jozef Allard, zelf een jezuïet, schreef nog Augustinus van Teylingen's ‘Opcomste der Nederlantsche beroerten’  in  Jaarboekje van Jos. Alb. Alberdingk Thijm, dl. 53 (1904), pp. 65-101. De vraag naar het auteurschap werd al gesteld in Wilts (A., de), Is Augustinus van Teylingen de schrijver van de “Opcomste der Nederlantsche beroerten”?  in  Het Boek, dl. 26 (1942), pp. 281-298. B. Vermaseren noemde Schellingwou de werkelijke auteur in de aanvullingen (tot mei 1981) die hij toevoegde aan de fotomechanische herdruk van zijn proefschrift uit 1941; zie Vermaseren (Bernard Antoon), De katholieke (...), aanvullingen, p. L.

221Hij geeft hier een bijbelse referentie naar Boek 1 Makkabeeën, hoofdstuk 3, vers 51. In de Sixto-Clementijnse vulgaat van eind 16de eeuw luidde dat vers: “et sancta tua conculcata sunt, et contaminata sunt, et sacerdotes tui facti sunt in luctum, et in humilitatem”; zie Ess (Leander, van) (uitg.), Biblia Sacra vulgatae editionis juxta exemplar ex Typographia Apostolica Vaticana, Romae 1592. correctis corrigendis ex Indicibus correctoriis Romae editis in usum Bibliorum Vaticanorum Latinorum ann. 1592, 1593. 1598.; nec non substratis lectionibus ex Vaticanis illis bibliis Latinis ann. 1590. 1592 1593. 1598. inter sese variantibus, additisque locis parallelis, dl. II (Vetus Testamentum), Tubingen, 1824, p. 537 (Liber I Machabæorum Cap. 3. v. 51). In de Statenvertaling: “Uw tempel is geschonden en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en treuren”.

222 “Juist, precies”; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 161.

223[Schellingwou (Antonius)], Op-comste der Neder-lantsche Beroerten. Zachar. I. v. 12. Heere der Heyrscharen, hoe lange en suldy niet ontfarmen Ierusalem, ende der Steden van Iuda, op de welcke ghy vergramt zijt? Dit is nu het seventighste Jaer, Munster, 1642, p. 20.

224SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie VII, 1 nr. (inventaristitel: Kronyk van Mechelen en der Nederlanden. Van 694 tot 1646), s.d., s.p.

225SAM, Parochieregisters Mechelen, nr. 27 (huwelijken St.-Rombout 09/12/1610-15/02/1638), p. 352 en nr. 28 (03/01/1627-19/06/1672), p. 152. Ook Bram Caers kwam in zijn recent doctoraatsproefschrift tot dat besluit; cfr. Caers (Bram), Op. cit., pp. 173-181.

226SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 50 (dopen O.L.Vrouw-over-de-Dijle 03/01/1643-31/12/1649), p. 73.

227SAM, Parochieregisters Mechelen, nr. 39 (begrafenissen St.-Rombout 03/12/1691-11/05/1703), p. 239.

228Gedoopt op 06/11/1667; zie SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 52 (dopen O.L.Vrouw-over-de-Dijle 28/07/1658-28/06/1668), p. 401.

229SAM, Parochieregisters Mechelen, nr. 92 (begrafenissen O.L.Vrouw-over-de-Dijle 07/01/1665-29/12/1681), p. 255.

230Ibidem, p. 332.

231SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie VIII, 1 nr. (Dominicus Vrindts, Historie van Mechelen [712-1665]), s.d., pp. 375-376.

232Joanna Maria, gedoopt op 18 november 161; zie SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 52 (dopen O.L.Vrouw-over-de-Dijle 28/07/1658-28/06/1668), p. 156.

233Loyens (Hubertus), Brevis et succincta synopsis rerum maxime memorabilium bello et pace gestarum ab serenissimis Lotharingiæ, Brabantiæ, et Limburgi ducibus, ab Anno post Christum natum sexagesimo septimo supra millesimum ducentesimum, usque ad Annum millesimum sexcentesimum trigesimum tertium, Brussel, 1672, pp. 412-413.

234Valerius (Remmerus)  in  Branden (Frans Josef, van den) en Frederiks (Johannes Godefridus), Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, Amsterdam, 1888-1891, p. 802; Foncke (Robert), ... En het schip wilde niet verder varen  in  Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde, N.R., jg. 1966, afl. 1-4, Gent, 1966, pp. 31-33; Roersch (Alphonse), VALERIUS (Remmerus)  in  Biographie Nationale, dl. 26 (VAAST - VYVERE), Brussel, 1936-1938, kol. 99-100.

235Valerius (Remmerus), Chronyke van Mechelen. Vermeerdert met een kort verhael van het Leven en Schriften van den Aucteur als oock met eene achtervolgende Tafel &c. makende een korte generale Chronyke van den Jaere 355 tot den Jaere 1680, Mechelen, s.a. (1775), p. 35. Zijn kroniek verscheen eerst in Den Mechelschen Almanach voor het jaer Ons Heeren Jesu Christi 1675, e.v. en werd na zijn dood voortgezet en verzameld uit die almanakken en afzonderlijk uitgegeven (er is dus een verschil tussen de uitgaven van 1675, 1680, 1706, 1760, 1766 en 1775); zie Jonghe (Jan Frans, De), D. Almanakken  in  Smeyers (Jos) en Vieu-Kuik (Hermina Jantina), Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, dl. 6, Amsterdam, 1975, (pp .447-459) p. 455.

236SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 5 (dopen St.-Rombout 07/08/1651-20/10/1660), p. 84: doop 22/11/1653; reg. 29 (huwelijken St.-Rombout 06/06/1672-23/04/1690), p. 287: getrouwd (“huius urbis graphiarius”) met Joanna Maria Hamers op 09/12/1687; reg. 41 (begrafenissen St.-Rombout 01/01/1717-13/12/1726), p. 227: uitvaartdienst op 14/03/1725 (hij was overleden op de 4de en begraven op zijn heerlijkheid van Rijmenam).

237Kocken (Marcel), Het Mechelse stadsarchief: een beknopte geschiedenis  in  Mededelingenblad van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, jg. 41 (2010), nr. 4, pp. 10-13; Verschaffel (Tom), De hoed en de hond. Geschiedschrijving in de Zuidelijke Nederlanden 1715-1794, Hilversum, 1998, p. 52; Chalmot (Jacques Alexandre, de), Biographisch Woordenboek der Nederlanden, Bevattende de Levensbeschrijvingen van voorname STAATSMANNEN, KRYGSHELDEN, GELEERDEN in allerleije vakken van Wetenschappen, DIGTERS, SCHILDERS en andere KONSTENAREN; en verder, Zodanige Personen, die door de ene of andere daad, zig beroemd, of aan den Vaderlande verdienstelijk hebben gemaakt; veelal verzeld van hunne Karakterschetzen, zeldzame Anekdoten die men elders te vergeefs zal nasporen, onpartijdige beoirdeling hunner Daden, optelling hunner Schriften, en aanwijzing der Schrijvers welke van hun gehandeld hebben. Opgemaakt, Uit Handschriften, een groot aantal van de beste Schrijvers in verscheidene Talen over die onderwerpen handelende, en medegedeelde Berigten. Van de oudste tijden af tot heden toe, Amsterdam, 1800, dl. 8, pp. 166-169; Muyldermans (Jaak), De edele Familie Cuypers te Mechelen in de 17e en 18e Eeuw  in  Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal en Letterkunde, Gent, januari 1925, pp. 158-160; Paquot (Jean Noël), Mémoires pour servir à l'histoire littéraire des dix-sept provinces des Pays-Bas, de la principauté de Liège, et de quelques contrées voisines, dl. 6, Leuven, 1765, pp. 397-404.

238SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie X (“Chronyk ende Beschryvinge vande geschiedenissen voorgevallen in ende ontrent de Stadt Mechelen. Wanneer ende op wat conditien het District daer aengecomen is, sondagh naer S<in>te Pauwels Bekeeringhe, 1307 ende hoe Mechelen verheven is by Frederich Roomsch Keyser tot een Graefschap, den 10 Januarii 1490. By een vergaedert ende op sijn ordre ghestelt door Joncker Daniël-Frans Cuijpers, Heere van Rijmenam, van Opstallen, van Muijschvijck, van Zuetinghen, etc<eter>a, Garde des Chartres der Stadt ende Provincie van Mechelen.” / tot 1699), dl. 1, p. 495.

239SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie XII, nr. 1: Rumoldus Gootens, Chronyke van Mechelen.

240Azevedo-Coutiño-y-Bernal (Joseph Félix Antoine François, de), Table généalogique de la famille de Schooff, s.l.n.d., 31 pp. Voor een opsomming van de genealogieën die hij maakte, zie Michaud (Louis-Gabriel), Op. cit., dl. 56 (Supplément A-AZ), Parijs, 1834, pp. 621-622.

241Hermans (Victor), Inventaire des archives de la ville de Malines, Tome huitième. Inventaris der registers en rollen, Mechelen, 1894, p. 252.

242SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 128 (dopen St.-Katelijne 06/02/1684-25/12/1698), p. 1: 1684. 6 Februarij. Rumoldus F<ilius> Joannis Goosens [&] Annæ Mariæ Estrix. S<usceperunt> Rumoldus Estrix no<min>e patris [&] Catharina Van Thielen”.

243SAM, Parochieregisters Mechelen, reg. 43 (begrafenissen Sint-Rombout 01/01/1740-29/12/1753), p. 177: “Kercklijck       8. mart<ii> 1748 / Rumoldus Gootens / Catlijne straet”.

244David (Jan-Baptist), Geschiedenis van de stad en de heerlykheid van Mechelen, Leuven, 1854, p. 2.

245SAM, EE XII 1, Rumoldus Gootens, Chronyke van Mechelen, pp. 331-332.

246Ibidem, p. 332.

247In het Middelnederlands werd het woord gebruikt voor een voogd of geestelijk bestuurder van een klooster; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 360.

248Aan mannen hadden we toen intra muros nog de cellebroeders, de begaarden en de ridders van de Duitse Orde, maar daar waren per definitie weinig priesters bij.

249Zie Rosenfeld (Paul), The provincial governors from the minority of Charles V to the Revolt in Standen en Landen, dl. 17, Leuven/Parijs, 1959, pp. 1-63: ook hier wordt geen functie vermeld voor Antoon II, die dus niet benoemd werd vóór de Beeldenstorm, toen Mechelen niet wilde onderdoen voor Brussel dat “voor Chef ende Capitijn van de stadt eenen principaelen heer” had (brief van de Grote Raad aan de landvoogdes d.d. 24 augustus 1566, zie bijv. pp. 333-334 in deze kroniek).

250Zie Ponti Heuteri (...), p. 406: (in margine: “1566”) “Considerans igitur Gubernatrix res suas (fœderatis Proceribus ac Nobilibus pudore, & rationibus pro parte ad officium redeuntibus) tuto iterum loco constitutas, Egmondium in Flandriam, Aurantium Antverpiam (quod urbis ejus Burchgravius, accepto à majoribus titulo, appellaretur) Hoochstratium Mechliniam, Hornanum Tornacum, Noircarmiu<m> Valencenas, continendis in officio delegatis à Rege Provinciis ac Civitatibus, mittit.

251SAM, Zendbrief 673: brief van Margareta van Parma aan de Magistraat van Mechelen, 08/10/1566.

252Autenboer (Eugeen, Van), Het Wonderjaar te Mechelen (1566-67). Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Moderne Geschiedenis KUL, Leuven (Mechelen), 1941, p. 74.

253Cfr. Gachard [Louis-Prosper], Correspondance de Philippe II sur les affaires des Pays-Bas; publié d'après les originaux conservés dans les archives royales de Simancas; précédée d'une notice historique et descriptive de ce célèbre dépôt et d'un rapport à M. le ministre de l'intérieur, dl. 1, Brussel, 1848, pp. 500 en 508-509.

254Met roer werd een vuurroer bedoeld, de verkleinde uitvoering van het musket; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 498.

255Cop kon “vaatwerk, schotel, beker” e. d. betekenen; zie Verdam (Jacob), Op. cit., p. 306. Vermits de schrijver het onderscheidt van de ouwelvaas en de (mis)kelk (om de wijn te consacreren), denken we hier eerder aan de pateen of het hostieschoteltje: het gouden of verguld zilveren schoteltje, waarop tijdens de misviering de hostie wordt neergelegd; zie Stellwagen (Arnoldus Wilhelmus), Roomsche woorden. Woorden en uitdrukkingen der Roomsche Kerk, Groningen, 1902, pp. 139 en 179.

256Zie Stellwagen (Arnoldus Wilhelmus), Op. cit., p. 113: “Ciborie (eene zilveren of gouden vaas in den vorm van een kelk met deksel, waarin de [geconsacreerde] H. Hostien worden bewaard.

257Een welhaak of welstok is bekend als een oud snijwerktuig voor het maaien van graan, wat langer dan een sikkel en wat korter dan dan een zeis; ook wel zicht genoemd. Ze werden (en worden) echter ook aan boord gebruikt en dan was het iets heel anders: een welhaak (ook pikhaak, haakstok, schippershaak, vaarhaak, bootshaak, scheepshaak, enterhaak of gewoon haak) is een lange ronde stok, waaraan een combinatie van een metalen pen (de teen) en een haak (de klauw) bevestigd zijn. Het was – in die vorm – zeker al in de 16de eeuw (en misschien nog eerder) een onmisbaar werktuig aan boord en wordt nu nog gebruikt. Die antieke smeedijzeren gevalletjes waren een stuk gevaarlijker dan de huidige. Historisch gezien kan het dus wel, maar het wordt nergens anders beschreven.

258SAM, EE XII 1, Rumoldus Gootens, Chronyke van Mechelen, p. 333.

259Gelder (Herman Arend Enno, van), Histoire des Pays-Bas du XVIe siècle à nos jours, Parijs, 1936, p. 13.

260Zie Muyldermans (Jaak), Vier Mechelsche Geschiedkundigen in de XVIIIe Eeuw  in  Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1926, (pp. 387-428), pp. 388-397 (I. Cornelius van Gestel); Cornelius Van Gestel  in  B[aeten] (J[an]), Op. cit., pp. 48-49; Verschaffel (Tom), Historici (...), p. 102; Corneille van Gestel  in  Paquot (Jean Noël), Mémoires pour servir à l'histoire littéraire des dix-sept provinces des Pays-Bas, de la principauté de Liège, et de quelques contrées voisines, dl. 6, Leuven, 1765, pp. 337-340; GESTEL (Kornelis van)  in  Piron (Constant Fideel Amand), Algemeene levensbeschryving der mannen en vrouwen van België, welke zich door hunne dapperheid, vernuft, geest, wetenschappen, kunst, deugden, dwalingen of misdaden eenen naem verworven hebben, sedert de eerste tyden tot den dag van heden, Mechelen, 1860, p. 133; Meersch (Aug., Vander), GESTEL (Corneille VAN), historien  in  Biographie Nationale, dl. 7 (FÉABLE-GODEFROID), Brussel, 1883, kol. 689-690; Clercq (Charles, De), Cinq archevêques de Malines (1689-1825), Parijs, 1974, dl. 1 (1689-1759, Humbert-Guillaume de Precipiano, Thomas-Philippe d'Alsace et la liquidation du jansénisme), p. 214; Quaghebeur (Toon) en Roegiers (Jan), V. Onvrede en onrust in eigen rangen 1690-1759)  n  Maeyer (Jan, De), Put (Eddy), Roegiers (Jan), Tihon (André) en Bosch (Gerrit, Vanden) (red.), Het Aartsbisdom Mechelen-Brussel. 450 jaar geschiedenis (KADOC-Diversen, 48), dl. 1, Leuven, 2009, pp. 200-201.

261Gestel (Cornelius, Van), Historia sacra et profana archiepiscopatus Mechliniensis ; Sive Descriptio archi-dioecesis illius ; Item urbium, oppidorum, pagorum, dominiorum, monasteriorum, castellorumque sub eâ, in XI. decanatus divisa. Cum Toparcharum Inscriptionibus Sepulchralibus, Ex Monasteriorum Tabulis, Principum Diplomatibus insertis, Et inspectionibus locorum verificata. Eruta Studio ac Opera Cornelii van Gestel, Pastoris in Westrem Comitatus Alostani. Cum Figuris ænieis. Tomus primus, Den Haag, 1725, p. 72.

262En te zeggen dat op 12 juli 1557 hun hele klooster al eens afgebrand was, met uitzondering van de kerk: “1557. Paesschen den 18. April. (...) Op den 12. Julius verbrande het Klooster van de Minderbroeders tot Mechelen, den Dormter, Bibliotheke ende Keucken: maer de Kercke bleef staende.” (Vervolgh der Chronycke van Mechelen. Van den Jaere 1556. tot den Jaere 1561.  in  Azevedo y Bernal (Geeraard Dominicus, de), Vervolgh der Chronycke van Mechelen, Ten Tyde van Philippus den II. Koninck van Spaignien &c., onder de Regeringe van de Princesse Margareta, Hertoginne van Parma, van den Jaere 1556., tot den Jaere 1561, Leuven, s.a. (1767), s.p.).

263SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie XI, enig nr.: Gestel (Hendrik Cornelius, Van), Chronyck van Mechelen van 1500 tot 1820 [eigenlijk tot 1830; dit is een aangevulde versie van zijn oorspronkelijk tot 1743 lopende kroniek (hij overleed in 1748)], p. 24.

264Zie HOYNCK VAN PAPENDRECHT (Cornelis Paulus) in  Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., dl. 8, stuk 2, Haarlem, 1867, pp. 1368-1371; Verschaffel (Tom), Historici (...), p. 61.

265Hoynck Van Papendrecht (Cornelius Paulus), Vita (...). T. I, pars 2: Viglii ab Aytta Zuichemi epistolæ politicæ et historicæ ad Joachim Hopperum Equitem, Dominum de Dalem, rerum Status Germaniæ inferioris apud Philippum II. Hispaniarum Regem, Consiliarium, & magni ejus sigilli præfectum. Editio nova Ex codice MS. Collegii Vigliani Lovanii, additis ex eodem triginta epistolis ac plurium aliarum fragmentis, pp. 413-415.

266Cfr. Beucker Andreae (Johan Henric), Eenige mededeelingen omtrent Joachim Hopperus, en de briefwisseling tusschen hem en Viglius van Aytta  in  De Vrije Fries, dl. 5 (1850), pp. 121-143.

267Postma (Folkert), Van bescheiden humanist tot vechtjas, Viglius van Aytta en de crisis van 1566-1567  in  Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, jg. 123 (2008), afl. 3, pp. 323-340; AYTA van ZUICHEM (VIGLIUS, ab)  in  Chalmot (Jacques Alexandre, de), Op. cit., dl. 1, Amsterdam, 1798, pp. 396-408.

268Voor literatuur over deze rechtsgeleerde, zie Soen (Violet), Vredehandel. Adellijke en Habsburgse verzoeningspogingen tijdens de Nederlandse opstand (1564-1581) (Amsterdam studies in the Dutch Golden Age), Amsterdam, 2012, pp. 185-186.

269Cfr. supra. Hij werd één van de grote strategen achter het herstel van de orde in de winter van 1566-1567; zie Postma (Folkert), Viglius van Aytta en Joachim Hopperus tegenover de Nederlandse opstand  in  Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, jg. 102 (1987), afl.1, pp. 29-43.

270In het voornoemde werk van Hoynck van Papendrecht, in T. I, pars 2 (Viglii ab Aytta Zuichemi epistolæ politicæ et historicæ ad Joachim Hopperum Equitem, Dominum de Dalem, rerum Status Germaniæ inferioris apud Philippum II. Hispaniarum Regem, Consiliarium, & magni ejus sigilli præfectum. Editio nova Ex codice MS. Collegii Vigliani Lovanii, additis ex eodem triginta epistolis ac plurium aliarum fragmentis), pp. 414-416.

271Het is jammer dat er geen handschriften staan in de catalogus van zijn boekenverkoop na zijn dood; zie SAM, M 10751/B (a) en M 2673 (a) : Librorum catalogus bibliothecæ selectæ R.di AD.m Domini Cornelii Van Gestel dum viveret, Canonici Ecclesiæ Collegiatæ B. MARIÆ Virginis trans Diliam Mechliniæ. Quorum Auctio habebitur in Ædibus ejus Mortuariis sitis in Plateâ (vulgo dicta) Onse Lieve Vrouwe straet, die I.a Aprilis & seqq., s.l. (Mechelen), 1748, 40 pp.

272Auteur van de reeds genoemde Historia sacra (...), cfr. supra.

273Zie de uitgebreide beschrijving van zijn werk in Verschaffel (Tom), De hoed (...), pp. 34-36 en Id., Historici (...), Brussel, 1996, pp. 50-51.

274SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), Serie XIII, enig nr.: Foppens (Joannes Franciscus), Mechlinia Christo nascens et crescens, seu acta urbem, ecclesiam Mechliniensem ejusque viros pietate et dignitate conspicuos concernentia, reg. in f°, s.l.n.d., niet gepagineerd.

275Dit stukje gaat over Antwerpen.

276Foppens spreekt echter van de ambachten ('t is een ablatief meervoud) van de vissers en de schippers. Waar hij dat van die vissers haalde, is ons een raadsel. Niemand anders heeft het daarover gehad. Dat zij dat gewapenderhand (“armatâ manu”) deden, staat verder alleen bij Gootens.

277Zeker is dit niet, want waar men in zestiende eeuw schaamteloos drukwerkjes (bijna foto)kopieerde, is de achttiende eeuw echt de periode dat handschriften van andere handschriften overgepend werden.

278Antwerpsch chronykje, in het welk zeer veele en elders te vergeefsch gezogte geschiedenissen, sedert den jare 1500. tot het jaar 1574. zoo in die toen zoo zeer vermaarde koopstad, als de andere steden van Nederland, En wel Byzonderlyk op het Stuk der Geloofs-Hervorminge voorgevallen, omstandig zyn Beschreeven. door F. G. V. en thans, Naar deszelfs aldaar ontdekte Handschrift, voor de eerstemaal in 't licht gebracht, Leiden, 1743, [XII]-260 pp.

279Chronycke van Antwerpen sedert het jaer 1500 tot 1575; gevolgd van eene beschryving van de historie en het landt van Brabant, Sedert het jaer 51 vóór J.-C., tot 1565 na J.-C., volgens een onuitgegeven handschrift van de XVI.e eeuw met fac-simile van het hs., Antwerpen, 1843, IV-300 pp.

280Zie Doorninck (Jan Izaak, van), Bibliotheek van Nederlandsche anonymen en pseudonymen, 's-Gravenhage/Utrecht, s.a. (1870), p. 109 en Id., Vermomde en naamlooze schrijvers opgespoord op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche letteren. Deel I. Schuilnamen en naamletters, Leiden, 1883, kol. 179.

281Zie Aa (Abraham Jacob, van der), Op. cit., Haarlem, 1876, pp. 201-202 en Branden (Frans Josef, van den) en Frederiks (Johannes Godefridus), Op.cit., p. 823.

282Over de verschillende edities ervan, zie Verschaffel (Tom), Bernardus de Jonghe (1676-1749) en de opstand. De geschiedenis van de Ghendtsche Geschiedenissen  in  Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, N.R., dl. 43, 1989, pp. 159-171.

283Zie p. 30 in de heruitgave van 1752: Jonghe (Bernadus, De), Ghendtsche Geschiedenissen of Chronyke van de Beroerten en Ketterye binnen, en ontrent de Stadt van Ghendt Sedert 't Jaer 1566. tot het Jaer 1585. Te samen gevoegt uyt verscheyde Schriften van eventydige Aenteekenaers, Archiven van Kloosters &c., dl. 1, Gent, 1752.

284Zie Greef (Patrick, De), Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nieuwe Tijd. De Spaanse integratie in de Nederlanden. De Familie De Azevedo-Coutinho-y-Bernall. Onuitgegeven seminariewerk Moderne geschiedenis KUL, Leuven, 1982, 58 pp.; Saint-Genois (Jules, de), AZEVEDO-CONTINHO-Y-BERNAL (Gérard-Dominique), historien, chroniqueur  in  Biographie Nationale, dl. 1, Brussel, 186, kol. 595-596; Muyldermans (Jaak), Vier Mechelsche Geschiedkundigen in de XVIIIe Eeuw  in  Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1926, pp. 404-424 (III. De gebroeders de azevedo. A. Geeraard Dominicus); GERARDUS DOMINICUS DE AZEVEDO CONTINHO Y BERNAL  in B[aeten] (J[an]), Verzameling van naamrollen (...), dl. 2, Mechelen, s.a., pp. 22-26, Reiffenberg (Frédéric, de) (uitg.), Chronique rimée de Philippe Mouskes, dl. 1, Brussel, 1836, pp. CCCLXXIV-CCCLXVI; AZEVEDO-CONTINHO-Y-BERNAL (Gérard-Dominique), historien, chroniqueur  in  Seyn (Eugène, de), Dictionnaire des écrivains belges. Bio-Bibliographie, dl. 1, Brugge, 1930, pp. 32-33; Id., Dictionnaire biographique des Sciences, des Lettres et des Arts en Belgique, dl. 1 (A-G), Brussel, 1935, p. 20; Verschaffel (Tom), De hoed (...), passim; Id., Historici (...), p. 12; Zech-Du Biez (G.), Les Almanachs Malinois et leurs Auteurs  in  Bulletin du Cercle archéologique, littéraire et artistique de Malines, bdl. 12 (1902), pp. 175-178.

285Azevedo y Bernal (Geeraard Dominicus, de), Deductie ende relaes van den staet ende conduite van die van de Stadt ende Provincie van Mechelen, ten tyde der eerste Beldtstormerye ende Troubelen, onder het Gouvernement van de Hertoginne Maragarita van Parma, sedert den 28. Meert 1565. voor Paesschen, volgens stiel van diën tyde, tot de komste van den Hertogh van Alba, besonderlyck tot 9. October 1566, dienende tot supplement ende verklaeringe van de Chronycke van Mechelen gedruckt ten jaere 1769. by den Drucker deser, Leuven, 1770, pp. 23-28. Het wordt voorafgegaan tot een “Tot den leser” (pp. 3-6) en een “Kort begryp der LXXI. Artiekels van dit relaes” (pp. 7-22) en gevolgd door “Notitien tot verklaer van't voorgaende relaes” (pp. 129-154). Hij bezat zelf een manuscript van de Franse tekst, want in de catalogus van zijn boekenverkoop na overlijden staat: 831 Deduction de l'Etat & Conduit de ceux de Malines, depuis le 26 Mars 1575 (sic!) jusques a l'avenue du Duc d'Albe. MSS. de 77 pages. (verkocht voor 4-0); zie SAM, M 10751/C (a): Catalogus librorum in omni classe scientiarum Quos reliquit reverendus admodum dominus Gerardus Dominicus de Azevedo-Coutinho-y-Bernal (...), Mechelen, s.a. (1782), p. 52.

286Id., Vervolgh der chronycke van Mechelen, 't Sedert den Feest-dagh van Paesschen den 14 April 1566 (geseyt het jaer van Troubels) tot het arrivement van den Hertogh van Alva in dese Nederlanden den 22 Augusti 1567 ten tyde der Regeringe van Koningh Philippus den II., ende de Gouvernante Margarita van Oostenryck, Hertoginne van Parma, Leuven, [1770], pp. [8-14].

287Azevedo Coutinho y Bernal (Gerard Dominique en Joseph Felix Antoine François, de)], Table (...), s.p.

288“Haakbussen” zal hij wel bedoeld hebben; er is sprake van in punt 54 van griffier van Ophem's Deduction.

289Zie bijv. Hubner (Johan) (vert. Willem Albert Bachiene, aangevuld door Ernst Willem Cramerus), Algemeene geographie, of, Beschryving des geheelen aardryks; Behelzende (...). Eerste deel, Bevattende PORTUGAL, SPANJE, FRANKRYK en ITALIE, Amsterdam, 1769, p. 374.

290Zie het (ook weer niet ondertekende) deeltje “Beltstormerije 1566” in SAM, DD SI 6: Matériaux Recueillis (...).

291Zie Coninckx (Hyacinthe), 1815-1830. La fin de deux régimes. Quelques pages de la chronique malinoise racontées par un contemporain  in  Bulletin du Cercle archéologique, littéraire et artistique de Malines, bdl. 14, 1904, pp. 39-130.

292SAM, EE (Kronieken en jaarboeken), serie XXII (Frans Schellens, Mechelsche chronycke tot 1855), dl. 1 (1260-1613). Geen doorlopende paginering; dit stuk is afzonderlijk genummerd: het afschrift staat op pp. 1-16, over de afrekening op p. 18 en zijn analyse op pp. 19-30.

293Zie Gijsel (Hektor, van), Voor godsdienst, taal en volk. Het leven van kanunnik Jan-Baptist David, Blankenberge, 1968 en Lens (Arthur), Jan-Baptist David, Antwerpen, 1975.

294Heremans (Jacob Frans Johan), Levensbericht van Prof. J.B. David  in  Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden aldaar den 18en Juni 1868, in het gebouw der Maatschappij ‘tot Nut van 't Algemeen’, Leiden, 1868, pp. 232-247.

295David (Jan), Geschiedenis van de stad en de heerlykheid van Mechelen, Leuven, 1854, pp. 286-287.

296Baarssen (G. H. Joost), America's True Mother Country? Images of the Dutch in the Second Half of the Nineteenth Century, Zürich/Berlijn, 2014, pp. 23-52: “II. John Lothrop Motley”.

297Motley (John Lothrop) (vert. Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink), De opkomst van de Nederlandsche Republiek, dl. 1, 's-Gravenhage, 1859, p. 421 (dl. 2, 18602 , p. 131). In de originele Engelstalige versie: “In Mechlin, seventy or eighty persons accomplished the work thoroughly, in the very teeth of the grand-council, and of an astonished magistracy” (Motley (John Lothrop), The rise of the Dutch republic. A History, dl. 1, New York, 1856, p. 565 [dl. 1, Londen, 18582, p. 476]).

298In 't Engels: “Pontus Payen MS.    According tot Renom de France, the work was done by thirty or forty “personnes de nulles qualité.” - MS. i. c. 20.” (Motley (John Lothrop), The rise (...), dl. 1, Londen, 1856, p. 565 [dl. 1, Londen, 18582, p. 476]).

299Zie Görris (Gerard Karel Willem), Dr. W.J.F. Nuyens, beschouwd in het licht van zijn tijd, Nijmegen, 1908, XV-282 pp.; Schlager (Patricius), Wilhelmus Nuyens  in  Herbermann (Charles G.), Pace (Edward A.), Fallen (Condé B.), Shahan (Thomas J.) en Wynne (John J.) (red.), Catholic Encyclopedia. An international work of reference on the constitution, doctrine, discipline, and history of the Catholic Church, dl. 11, New York, 1913, pp. 172a-172b; Zeijden (Albert Theodoor, van der), Katholieke identiteit en historisch bewustzijn. W.J.F. Nuyens (1823-1894) en zijn 'nationale' geschiedschrijving (doctoraatsproefschrift UA, Amsterdam, 2002), Hilversum, 2002, 368 pp.

300Cfr. supra; zie ook Vliet (Willem George Frederik, van), Groen van Prinsterers historische benadering van de politiek (Passage Reeks, 31 / doctoraatsproefschrift VUA, Amsterdam, 2008), Hilversum, 2008, 444 pp.

301Zie Paul (Herman) en Velde (Henk, te) (red.), Het vaderlandse verleden. Robert Fruin en de Nederlandse geschiedenis, Amsterdam, 2010, 296 pp.

302Nuyens (Willem Jan Frans), De Nederlandsche Beeldenstorm  in  Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken, 1865, (pp. 129-181) pp. 139-140 en identiek een jaar later in Id., Geschiedenis der Nederlandsche beroerten in de XVIe eeuw, Eerste Werk (Geschiedenis van den oorsprong en het begin der Nederlandsche beroerten (1559 - 1567), Tweede Deel), Amsterdam, 1866, pp. 108-109.

303Kocken (Marcel), Art. cit., pp. 10-13.

304SAM, EE, Serie XXI, 1-2 (Jaarboeken van Mechelen 1549-1672 door dhr. Van Doren), reg. 1, s.p.

305Baeten (Jan)  in  Branden (Frans Josef, van den) en Frederiks (Johannes Godefridus), Op. cit., p. 31.

306Baeten (Jan), Geuzengeschiedenis (Vervolg). De geuzen te Mechelen. 1566  in  Mechelsche Courant. Nieuws en aankondigingsblad, jg. 12 (1875), nr. 40 (3 oktober), p. 1.

307Id., Geuzengeschiedenis. De geuzen N° 3 of de Fransche liberalen te Mechelen. 2e inval 1794. (Vervolg). O. L. Vrouwekerk over de Dijle  in  Mechelsche Courant. (...), jg. 15 (1878), nr. 1 (6 januari), p. 1.

308Id., Geuzengeschiedenis (Vervolg). De geuzen in de kloosters van Mechelen  in  Mechelsche Courant. (...), jg. 13 (1876), nr. 22 (28 mei), p. 1.

309Id., Geuzengeschiedenis (Vervolg)  in  Mechelsche Courant. (...), jg. 13 (1876), nr. 24 (11 juni), p. 1.

310Id., Geuzengeschiedenis (Vervolg) in  Mechelsche Courant. (...), jg. 13 (1876), nr. 34 (20 augustus), p. 1.

311Id., Historische noticie over O. L. Vrouw van Hanswijck  in  Mechelsche Courant. (...), jg. 13 (1876), nr. 30 (23 juli), p. 1.

312Over de negentiende-eeuwse kranten in Mechelen, zie Ryckmans (Pierre), Drukkers en pers te Mechelen 1773-1914. Repertorium (Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis. Bijdragen, 70), Leuven, 1972, XI-589 pp. en het oudere werk van drukker/uitgever Doeselaer (Edouard, Van), Opzoekingen betrekkelijk de Mechelse drukpers van 1773 tot 1900 (Dagbladen en Tijdschriften), Mechelen, 1901, 183 pp.

313Ook de opvatting over Alva werd in België gebruikt en misbruikt in die laatnegentiende-eeuwse politieke strijd; zie Janssens (Gustaaf), Het oordeel van tijdgenoten en historici over Alva's bestuur in de Nederlanden  in  Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, jg. 52 (1976), afl. 2, pp. 484-485.

314SAM, fonds Varia, V516 (vroeger “handschrift“ nr. 42): Autenboer (Eugeen, Van), Het Wonderjaar te Mechelen (1566-67). Onuitgegeven licentiaatsverhandeling (...).

315Ibidem, pp. 58-61.

316Ibidem, resp. pp. 40, 51 en 56. Voor de priorij van Leliëndaal kan men het dossier van de Archeologische Vereniging “Oud Mechelen” raadplegen: Cock (Stephan, De) (red.), Norbertinessenklooster Leliendael Hombeek, s.a. (ca. 1996), Mechelen, 169 pp.

317Autenboer (Eugeen, Van), Drie figuren (...), pp. 123-125.

318Id, Petrus De Wolf (...), pp. 112-113.

319Id., Een pamflet (...).

320Scheerder (Jozef), De Beeldenstorm, Bussum, 1974 (herdruk Haarlem, 1978).

321Liagre (Guy), Prefiguraties, aanwezigheid en ontwikkeling van het Nederlandstalig protestantisme. Situatie in enige Vlaams-Brabantse steden (16de eeuw) in Eigen Schoon & De Brabander. West-Brabantsch tijdschrift voor geschiedenis, oudheidkunde, folklore & taalkunde, jg. 85 (2002), nrs. 10-11-12, pp. 395-424, overdruk p. 2.

322Smet de Naeyer (Maurice, de) (red.) en Duyse (Hermann, van) (vert.), Mémoires d'un patricien gantois du XVIe siècle. Troubles religieux en Flandre et dans les Pays-Bas au XVIe siècle. Journal autographe de Marc van Vaernewijck, 2 dln., Gent, 1905-1906, XI-618 + 617 pp. (Beeldenstorm Mechelen in dl. 1 op pp. 159-163).

323Boon (Louis Paul), Het Geuzenboek, Amsterdam, 1979, pp. 706-707.

324Ibidem, pp. 315-316.

325Azevedo y Bernal (Geeraard Dominicus, de), Deductie (...), p. 101.

326Autenboer (Eugeen, Van), De Hervorming te Mechelen, 1566-1585  in  Noordgouw. Cultureel tijdschrift van de provincie Antwerpen, jg. 19/20 (1979-1983) (ook uitgegeven als “Zesde colloquium 'De Brabantse stad'. Congresboek, Antwerpen, 3 en 4 april 1981”),Antwerpen, 1985, p. 50.

327Id, Mechelen in de 16de eeuw: Schade wordt toegebracht en hersteld  in  Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, bdl. 89 (1985), pp. 199-200.

328Marnef (Guido), Het Calvinistisch bewind te Mechelen, 1580-1585 (Standen en Landen, 87), Kortrijk/Heule, 1987, p. 78 (in de oorspronkelijke versie: Id., Het Calvinistisch bewind te Mechelen. Voorgeschiedenis. Het Calvinistisch bewind, 1580-1585. De reconciliatie, 1585. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Geschiedenis KUL, Leuven, 1982, dl. 1, p. 19); zie ook Id., Mechelen en de opstand. Van beeldenstorm (1566) tot reconciliatie (1585)  in  Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, bdl. 88 (1984), afl. 2 (Tentoonstelling “Luister en rampspoed van Mechelen ten tijde van Rembert Dodoens 1585-1985”, Cultureel Centrum 21 september - 30 oktober 1985), Mechelen, 1985, pp. 49; later Id., Voorlopig succes van de protestantse ideeën  in  Uytven (Raymond, Van) (red.), De geschiedenis van Mechelen. Van Heerlijkheid tot Stadsgewest, s.l. (Tielt), 1991, p. 133.

329Installe (Henri), Verwoesting en wederopbouw te Mechelen in de zestiende eeuw  in  Verwoesting en wederopbouw van steden, van de middeleeuwen tot heden. Handelingen van het 18de Internationaal Colloquium Spa, 10-12.IX.1996 (Gemeentekrediet. Historische Uitgaven in-8°, nr. 100), Brussel, 1999, pp. 155-184.

330Cfr. Dekker (Rudolf), Jacques Presser's Heritage: Egodocuments in the Study of History  in  Memoria y Civilización, jg. 5, Navarra, 2002, pp. 13-37.

331Kaptein (Herman), Op. cit., pp. 82-83. Zie ook Duke (Alistair), Calvinists and 'Papist Idolatry': The Mentality of the Imagebreakers in 1566  in  Duke (Alistair) (o.r.v. Judith Pollmann en Andrew Spicer), Dissident Identities in the Early Modern Low Countries, Farnham/Burlington, 2009, p. 180 (heruitgave in Engelse vertaling van Id., De calvinisten en de “paapse beeldendienst”. De denkwereld van de beeldenstormers in 1566  in  Bruggeman (M. (red.), Mensen van de nieuwe tijd. Een liber amicorum voor A. Th. van Duersen, Amsterdam, 1996, pp. 29-46).

332Frijhoff (Willem) en Spies (Marijke), Dutch Culture in a European Perspective. Volume 1. 1650: Hard-Won Unity, Assen, 2004, p. 555.

333Cfr. het volgende nummer: Verstrepen (Hugo), Een bibliofiele brief uit Leuven aan kanunnik Geraard Dominicus de Azevedo Coutinho y Bernal (3 juli 1771)  in  .MHT (Mechelse Historische Tijdingen. E-schrift voor geschiedschrijving over de stad en heerlijkheid Mechelen), nr. 2 (augustus 2016), 10 pp.

334Cfr. Duits (Linda) en Haak (Marcel, van den), Popvirus: aanstekelijk of ziekmakend?  in  Aerts (Monique), Duits (Linda), Haak (Marcel, van den), Meier (Sabine), Müller (Floris) en Zoonen (Liesbet, van) (red.), Popvirus. Popularisering van religie en cultuur, Amsterdam, 2009, pp. 7-13.

335Zoals de grote humanist Erasmus zich reeds verontschuldigde in de epistula (inleiding) van zijn Moriae encomium Erasmi Roterodami declamatio, Parijs, 1511 (in het handschrift gedateerd: 9 juni 1508).

336Voor een historiografisch onderzoek van de Angelsaksische en Duitse stadsgeschiedschrijving, zie Jansen (Harry S. J.), De worsteling met de engel. De problemen van stadshistorici met hun onderzoeksobject  in  Tijdschrift voor Geschiedenis, jg. 104 (1991), afl. 2 , pp. 167-189 en voor de Nederlandse Id., De Nederlandse stadshistoriografie in internationaal perspectief. Een geschiedtheoretische analyse  in  Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, jg. 111 (1996), afl. 1, pp. 47-75.

337Er wordt nog steeds een zeer grote wetenschappelijke waarde gehecht aan Die Stadt als apart werk, terwijl de inhoud ervan al lang door onder ander archeologisch onderzoek achterhaald is; zie Froeyman (Anton), Clio en de Menswetenschappen: Max Webers 'Die Stadt' en de Gentse Historische School. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Geschiedenis RUG, Gent, 2004. Zie ook Tromp (Bart), De sociologie van de stad bij Max Weber  in  Goddijn (Hans) (red.), Max Weber. Zijn leven, werk en betekenis, Baarn, 1980, pp. 113-134. Voor een recentere analyse, waarin beschreven wordt dat de stad binnen de sociologie evolueerde van een ankerpunt voor veranderingen die zich in een bepaalde periode voordeden, naar een studieobject voor sociale problemen en nu, in het tijdperk van de globalisering, opnieuw in het vizier treedt als een strategische locatie die moet toelaten bepaalde tendenzen te begrijpen die de sociale orde hertekenen, zie Sassen (Saskia), De stad: opnieuw een strategische en heuristische locatie  in  Ethische perspectieven, jg. 21 (2011), afl. 1, pp. 12-23.

338Tromp (Bart), Sociologie en de stad  in  Sociologische Gids, jg. 32 (1985), afl. 2, p. 101.